Minimultinational

GNI is een Japans-Chinese start-up in de biotechnologie met vertakkingen in het westen. Een opmerkelijk grensoverschrijdend allegaartje, dat aan culturele verschillen geen boodschap heeft.

De plechtige opening van het onderzoeksinstituut van GNI in Fukuoka in maart 2006. Links Ying Luo, medeoprichter van Shanghai Genomics en vierde van links topman Christopher Savoi van GNI. Foto GNI GNI

Vraag Christopher Savoie waar zijn kleine, niet-beursgenoteerde onderneming is gevestigd en hij zal zoeken naar een antwoord. GNI, een nieuw biotechnologiebedrijf, heeft minder dan honderd personeelsleden. Maar het heeft een vertegenwoordiging in Tokio en Fukuoka in Japan; in Shanghai in China; in Cambridge en Londen in Engeland; en in San Jose in de Amerikaanse staat Californië. Een van zijn oprichters verhuisde onlangs van Engeland naar Auckland in Nieuw Zeeland om een laboratorium op te zetten. Van daaruit zal hij op vrijwel dezelfde manier met zijn virtuele bedrijf samenwerken als voorheen.

GNI ondervindt dat diverse ontwikkelingen – zoals de verbeterde kwaliteit van videobesprekingen en de opkomst van China als een acceptabele locatie voor klinische tests – betekenen dat er niet langer veel schaalgrootte voor nodig is om jezelf een multinational te mogen noemen. Opgericht in 2001 door Christopher Savoie, een Amerikaanse ondernemer wiens aanvaarding van het Japanse staatsburgerschap op zichzelf al symbool staat voor internationale veranderingen, is GNI eerder een grensoverschrijdend allegaartje dan een typische start-up.

„We nemen het beste uit ieder land en voegen dat samen”, aldus Savoie, wiens bedrijf geprofiteerd heeft van nationale verschillen in regelgeving, kosten en deskundigheid om een minimultinational bijeen te sprokkelen.

GNI kent drie toonaangevende nationale identiteiten. Als een Japans-Chinees samenwerkingsverband voert het bedrijf veel van zijn onderzoek uit in Engeland, waar de regelgeving en het betrekkelijk liberale beleid ten aanzien van het wetenschappelijk gebruik van menselijk weefsel hebben gezorgd voor een goede omgeving voor genetisch onderzoek.

Wetenschappers die samenwerken met GNI krijgen navelstrengen van het Rosie Maternity Hospital in Cambridge. Daardoor zijn ze verzekerd van genetisch materiaal dat vrijwel onaangetast is door de omgeving, zodat ze de interactie tussen diverse genen kunnen onderzoeken, waarvan de identiteit is geopenbaard door het menselijk genoomproject.

Het zou lastig zijn aan zulk materiaal te komen in Japan, waar het hoofdkwartier van GNI is geregistreerd, omdat Japanse ouders de navelstreng van hun kinderen van oudsher zelf willen houden. Zowel lokale gebruiken als de regelgeving maken Engeland dus tot een betere locatie voor genetisch onderzoek. Maar hoewel menselijk weefsel in Japan moeilijk verkrijgbaar is, beschikt het land wel over twee hulpmiddelen die in Engeland weer niet zo ruim voorhanden zijn: supercomputers en geld.

Veel van de in Engeland verkregen gegevens worden in Japan geanalyseerd met behulp van op krachtige Japanse computers ontwikkelde algoritmen. GNI heeft sinds 2001 in Japan zo’n 30 miljoen dollar (23,6 miljoen euro) kunnen binnenhalen. Het land heeft ’s werelds grootste spaartegoeden, maar pas onlangs, nadat de regels over start-ups werden versoepeld, vond veel van dit geld zijn weg naar de biotechnologie.

Savoie, die medicijnen studeerde aan de Universiteit van Kyushu in Fukuoka en vloeiend Japans spreekt, zag zijn kans schoon om geld binnen te halen toen de regels die academici buiten bedrijfsbesturen hielden werden versoepeld.

Nadat hij snel het hoofdkwartier van GNI van de VS naar Japan had laten verhuizen, haalde hij genoeg geld op bij Japanse beleggers om het bedrijf tot 2008 draaiende te houden, aldus Kan-Ichiro ‘Ken’ Suzuki, financieel directeur van GNI. Later dit jaar staat een beursgang op de rol.

China is het derde knooppunt in GNI’s netwerk en levert de patiënten. Veel grote farmaceutische ondernemingen voeren klinische tests uit in China, en patiëntengegevens uit dat land beginnen door Amerikaanse en andere westerse toezichthouders aanvaard te worden. Maar GNI denkt het eerste niet-Chinese bedrijf te zullen zijn dat toestemming voor een geneesmiddel aan de Chinese toezichthouder zal vragen voordat het zich tot de toezichthouders in Japan en het westen richt.

De farmaceutische industrie concentreert zich op de ontwikkeling van medicijnen ter behandeling van ziekten die vooral in het westen voorkomen. Pas als een geneesmiddel in de VS en Europa is geïntroduceerd, leggen bedrijven het voor aan de toezichthouders in Japan en de rest van Azië. De Brits-Amerikaanse farmaciereus GlaxoSmithKline begon Imigran, een goedlopend medicijn tegen migraine, pas negen jaar na de introductie in Engeland in Japan te verkopen.

GNI hoopt dat model te kunnen omkeren. Het bedrijf mikt op ziekten die in Azië vaker voorkomen, zoals maagkanker en hepatitis.

„Azië heeft tot nu toe steeds aan het korte eind getrokken”, aldus Savoie, doelend op veelvoorkomende ziekten die grotendeels zijn genegeerd door westerse farmaceutische bedrijven. „Als klein bedrijf moesten we een nichemarkt uitkiezen, en we dachten dat de halve mensheid een goed begin zou zijn.”

Voor klinische tests is China een goed alternatief voor Japan, waar het testen van medicijnen moeilijk en duur is. Savoie zegt dat tests van vergelijkbare kwaliteit in China sneller kunnen worden uitgevoerd voor een tiende van de kosten. Het zal niet mogelijk zijn zich helemaal op Chinese gegevens te verlaten om elders goedkeuring van de toezichthouders te verkrijgen, geeft Savoie toe. Maar het zal makkelijker zijn de besteding van honderden miljoenen dollars aan een Japanse of Amerikaanse test te rechtvaardigen, als het medicijn bij Chinese patiënten blijkt te werken.

Het Chinese deel van GNI’s puzzel wordt gecompleteerd door Shanghai Genomics, een start-up die is opgericht door twee in de VS opgeleide Chinese ondernemers. Vorig jaar mei is GNI met Shanghai Genomics gefuseerd. Beide oprichters werden naar Shanghai gelokt door het vooruitzicht van financiering door durfkapitaalverstrekkers die door de Chinese staat worden gesteund om de wetenschappelijke bedrijvigheid te stimuleren. Ying Luo, bestuursvoorzitter en uitvoerend directeur van Shanghai Genomics, zegt dat de samenwerking met GNI zijn bedrijf betere wetenschappelijke instrumenten oplevert, naast meer geld en een internationaal perspectief.

Hij verwerpt iedere suggestie dat de spanningen tussen China en Japan, die vorig jaar tot rellen in Chinese steden leidden, de vooruitzichten van een Japans-Chinese onderneming op het gevoelige terrein van het medicijnenonderzoek zouden kunnen schaden. „We zijn een internationaal bedrijf met mensen van over de hele wereld”, zegt hij. „We zijn een heel goed voorbeeld van de manier waarop mensen uit verschillende landen kunnen samenwerken om een gemeenschappelijk probleem op te lossen.”

Het fusieconcern test nu twee geneesmiddelen die door Shanghai Genomics zijn ontwikkeld uit verbindingen waarvan de patenten waren verlopen. Het meest geavanceerde medicijn is een middel tegen longweefselschade als gevolg van radiotherapie. Het bedrijf hoopt snel te kunnen beginnen met tests van middelen die speciaal voor de Aziatische markt zijn ontwikkeld door GNI. Een aantal van deze middelen wordt nu op dieren getest.

Savoie vergelijkt het bedrijf dat hij heeft samengesteld met de netwerken van genen die GNI onderzoekt. Net zoals zijn bedrijf probeert de voordelen van specifieke geografische locaties uit te buiten, gaan individuele genen combinaties aan om nuttige functies voort te brengen binnen een cel. Net als netwerken van genen kunnen de activiteiten van een virtueel bedrijf een ingewikkeld patroon vormen. Savoie heeft zijn gezin verhuisd van Tokio naar Fukuoka om te kunnen profiteren van zijn gunstig gelegen luchthaven en de korte reistijd naar Shanghai.

GNI-functionarissen zijn doorgewinterde videoconferentiegebruikers geworden. Carol Cherkis, vice-president voor bedrijfsontwikkeling en voorheen werkzaam bij Dow Chemicals, zegt dat op sommige plaatsen ’s ochtends vergaderingen worden belegd en op andere ’s avonds. Maar bij een bedrijf dat alle tijdzones omspant – zij werkt in San Jose, van waaruit zij probeert samenwerkingsverbanden te smeden met Amerikaanse farmaceutische bedrijven – is er altijd wel iemand die midden in de nacht moet opstaan. „Het is een virtueel bedrijf”, zegt ze, en dan corrigeert ze zichzelf: „Het is een echt bedrijf, maar we werken gewoon niet allemaal op dezelfde plek.”

© Financial TimesVertaling Menno Grootveld