Lichtvoetig schrijven

Het zal Marijke Höweler deugd hebben gedaan dat haar roman Over de streep – het boek waarvan ze moet hebben geweten dat het haar laatste was – overwegend positief is ontvangen. Op 5 mei overleed ze op 67-jarige leeftijd in een Amsterdams ziekenhuis aan de gevolgen van kanker. Het oeuvre dat zij nalaat – acht romans, verhalenbundels en toneel – is van wisselende kwaliteit, en hoewel ze laconiek reageerde op kritiek, nam ze haar werk uiterst serieus en trok ze zich smalende reacties wel degelijk aan.

Haar carrière als schrijfster verliep niet altijd even voorspoedig. Na een moeilijke jeugd in een dorp in de Betuwe en later in Eindhoven voltooide ze een studie klinische psychologie aan de VU in Amsterdam, en schreef ze onder haar meisjesnaam Marijke van Dalen liedjes, hoorspelen en cabaretteksten, onder andere voor het Lurelei cabaret. In 1964, ze was toen twee jaar getrouwd met Ype Höweler, debuteerde ze met Tranen van niemand, een bundel prozagedichten en kleine verhalen, die nauwelijks aandacht trok.

Toen ze zeventien jaar later haar tweede manuscript kwam aanbieden was er niemand bij De Arbeiderspers die haar nog kende. Emile Brugman werd haar redacteur en begeleidde de roman waarmee ze als het ware voor de tweede keer debuteerde. Van geluk gesproken (1982) werd een doorslaand succes. Het was het eerste deel van een satirische trilogie, waarin Höweler moderne intellectuelen op de hak nam. Met Bij ons schijnt de zon (1982) en Ernesto 1984) vestigde ze haar naam als humoristisch en scherpzinnig vertelster die als weinig anderen lichtvoetig kon schrijven over zware thema’s.

Nadat Van geluk gesproken in 1987 was verfilmd door Pieter Verhoeff leek niets een bloeiende schrijversloopbaan meer in de weg te staan. Twee jaar eerder had ze haar baan als psychologe aan de VU en haar eigen praktijk eraan gegeven om zich geheel aan het schrijven te kunnen wijden. Sindsdien verscheen er vrijwel ieder jaar iets van haar hand, geestige, maar bij tijd en wijle ook nogal melige zedenschetsen zonder de brille van haar eerdere werk.

Begin jaren negentig verhuisde ze met Emile Brugman van de Arbeiderspers naar de nieuwe uitgeverij Atlas, waar in 1994 de verhalenbundel De wereld houdt van vrolijke gezichten uitkwam. Joost Zwagerman koos er het verhaal ‘Water’ uit voor zijn bloemlezing De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen.

Na 1994 werd het stil rond Höweler. Pas in 2002 deed ze weer even van zich spreken, met Onder de gordel. In deze satirische novelle heeft de hoofdpersoon, een schrijver, last van een writer’s block, veroorzaakt door jaloezie op het commerciële succes van collega-schrijvers als Connie Palmen. Die zouden met autobiografisch flutproza slapend rijk worden.

Des te opmerkelijker was het dat Höwelers laatste roman Over de streep autobiografische elementen vertoont. Het is – ondanks haar afkeer van dit genre – de kroon op haar oeuvre, waarin humor en ernst voortdurend met elkaar in gevecht zijn. In Over de streep wint de ernst. Aan het slot sterft – zoals de schrijfster zelf – op een zonnige dag in mei de vader van de hoofdpersoon. Hij herkent zijn dierbaren en overlijdt huilend. „Nooit zal ik weten”, schreef Höweler, „of het zijn afscheid was of een ontmoeting die hem zo ontroerde. Ik denk het laatste. Ik hoop het maar.”

    • Elsbeth Etty