Kon men weten?

Ies Vuijsje zegt in zijn vorige maand verschenen boek dat de Nederlandse bevolking al in 1942 op de hoogte was van het lot der gedeporteerde joden. Nieuwe reacties van lezers.

Pas in 1945 hoorden wij over de gaskamers

Ik zag en hoorde alles wat er aan plaatselijke jodenvervolging gebeurde en kwam dagelijks bij joodse vrienden om groente te brengen tot zij onderdoken.

Echter, noch zij noch iemand anders in mijn omgeving wisten iets van gaskamers. Dat hoorden wij pas in mei 1945. Men dacht aan gevaarlijk werk in kwikmijnen et cetera, daarom was onderduiken nodig. Een ongewapende burger had geen macht om deportatie tegen te houden. Ies Vuijsje uit onterechte beschuldigingen op grond van onvolledige en eenzijdige informatie.

J.F.I. Planten

Amsterdam

Op straat hoorde ik wat joden te wachten stond

In 1942 was ik vier. Mijn ouders, beiden zeer actief in het verzet, woonden toen in de Holendrechtstraat in Amsterdam. Daar en in omliggende straten woonden veel joden die allen op gewelddadige wijze op transport zijn gesteld. Ik heb dat met eigen ogen gezien.

Als kinderen speelden wij uiteraard op straat. Toen werd bij herhaling gezegd, dat joden die werden weggevoerd, zouden worden vergast. Ik heb dat meer dan eens met eigen oren horen zeggen. Ik vroeg dan aan mijn moeder wat dat betekende dat joden zouden worden vergast. Zij antwoordde steeds dat zij dat niet wist. Als een kind op straat zulke verhalen opvangt, is het onaannemelijk dat volwassen leidinggevenden toen van de vergassingen niet geweten zouden hebben.

Aannemelijk is, dat men zich van de omvang van de ramp die zich voltrok, geen voorstelling heeft kunnen maken.

Mr. P. Wessing

Nijmegen

De joden wilden het vaak niet weten

Naar mijn eigen oorlogsherinnering was de wetenschap van de eindoplossing vrij algemeen, in ieder geval onder de aanstaande slachtoffers. Ook in niet-joodse omgeving was een en ander bekend, voor zover men zich daar bij het onderwerp betrokken voelde. De joden wisten het, maar zij wilden het vaak niet weten. Niemand wil zijn aanstaande dood onder ogen zien. In deze afweerhouding werden zij gesterkt door de ‘eigen’ door de Duitsters speciaal ter misleiding van de slachtoffers ingestelde Joodsche Raad. De (enig werkelijke) voorzitter van deze Raad, de voor de oorlog in joodse kring zeer geziene Amsterdamse hoogleraar David Cohen, vatte zijn door de Duitsers opgelegde taak uiterst serieus op. Ofschoon als weinig anderen bekend met alle berichten over de situatie van de joden in het Duizendjarige Rijk, sloot hij ogen en oren voor de realiteit. Hij predikte onder zijn joodse ‘onderdanen’ gehoorzaamheid aan alle Duitse bevelen, om „erger te voorkomen”. Onderduiken en verzet waren uit den boze. Zijn eigen gezinsleden wisten beter en pleegden verzet.

Prof. H. Cohen Jehoram

Amsterdam