Films veel te romantisch over coma

Comapatiënten in films komen vaak bij en lopen dan meteen het ziekenhuis uit. Dat verkeerde beeld van de werkelijkheid leidt tot ongegronde hoop bij familie van echte comapatiënten, staat vandaag in een artikel in ‘Neurology’.

rotterdam, 9 mei. - Vader en zoon Eelco en Coen Wijdicks – Eelco is neuroloog aan de Mayo Clinic in Rochester, Minnesota, en Coen medisch student – analyseerden coma scènes in dertig films die in de Verenigde Staten tussen 1970 en 2004 uitkwamen. Er zitten gelauwerde kaskrakers bij.

Ze lieten 22 fragmenten, die allemaal meer of minder ernstige fouten over comapatiënten en hun behandeling bevatten, zien aan een panel van 72 niet-medici. Van een derde van de films vonden alle panelleden dat een betrouwbaar beeld van de werkelijkheid werd geschetst. Ruim een derde van de panelleden zei ook dat ze op basis van de filmbeelden beslissingen zouden nemen, mocht ooit een naast familielid in coma raken.

Dat is precies waar vader en zoon Wijdicks bezwaar tegen maken: filmmakers vragen vaak historici en militairen om advies om films waarheidsgetrouw te maken, maar zodra het om dit soort medische zaken gaat, brengt de film louter fictie die in het verhaal moet passen. Voor comapatiënten in films zijn wonderbaarlijke opstandingen aan de orde van de dag.

In zes op tien van die films kwamen de comapatiënten weer bij bewustzijn, vaak na een jarenlang coma. Dat is veel vaker dan in werkelijkheid. Patiënten die na lange tijd uit coma komen zijn in het echt meestal zwaar gehandicapt, maar in films niet.

En zolang de acteur nog in comateuze toestand verkeert, ligt hij er doorgaans veel beter bij dan in werkelijkheid, turfden de acht deskundigen die de comascènes op realiteit beoordeelden. In de film ligt meestal een ‘schone slaapster’, gebruind, goed verzorgd en gekapt, met gesloten ogen rustig en ontspannen op bed, zoals de sprookjes-comapatiënte Sneeuwwitje er bij lag in haar glazen kist. Maar in werkelijkheid hebben comapatiënten hun ogen vaak open en trekken ze een grimas door spierspasmen, waardoor ook hun armen en polsen vaak een onnatuurlijke houding aannemen. Van de doorligwonden, de incontinentie voor urine en poep en de na jaren coma ongebruikte en verdwenen spieren is niets te zien.

Twee films krijgen een pluim omdat ze sommige dingen wel goed laten zien: La Vie Rêvée des Anges (1998) en Reversal of Fortune (1991). In die eerste ziet de comapatiënt er medisch aannemelijk uit, met spasmen, beademingsbuis bij het strottenhoofd en een voedingssonde in de maag. Foutje in Reversal of Fortune is dat hersendood en de persistente vegetatieve staat worden verward. Bij een hersendode patiënt is ook de hersenstam onomkeerbaar uitgevallen. Zo’n patiënt is kandidaat voor orgaandonatie, moet worden beademd en zo lang dat doorgaat blijft zijn hart kloppen. Een comapatiënt in blijvend vegetatieve toestand heeft een functionerende hersenstam en kan bijvoorbeeld zelf ademhalen.

Het Neurology-artikel van Wijdicks en Wijdicks heeft hilarische trekjes, ongewoon voor een artikel in dit serieuze wetenschappelijke tijdschrift. In het echt komt een comapatiënt niet plotseling en niet door één bepaalde gebeurtenis uit coma. In een film is dat schering en inslag. In Goodbye Lenin (2003) ligt een moeder al acht maanden in coma. Maar als haar zoon met een verpleegster flirt en uiteindelijk met haar tongzoent, begint zijn moeders arm te trillen en te bewegen. Daardoor valt een vaas op de grond en moeder ontwaakt. In 28 Days Later (2002) ontwaakt een comapatiënt, trekt zijn katheters eruit, stapt uit bed en loopt het ziekenhuis uit. De bruid in Kill Bill Volume 1 ontwaakt door een muggenbeet en in Monkey Bone is juist besloten om de beademingsmachine stop te zetten (door op een rode knop te drukken, alsof er zo’n noodstopknop op een beademingsmachine zit), waarna de comapatiënt ‘plotseling rechtop in bed gaat zitten, de beademingsslang verwijdert, zijn ogen opent, en rondkijkt terwijl enkele van de aanwezige familieleden flauwvallen.’

Het is slapstick die bij het grote publiek tot een volstrekt vertekend beeld van de werkelijkheid van comapatiënten leidt, vinden de Wijdicksen. Net zoals de comapatiënt die morsesignalen geeft. Bijna een derde van de niet-medische kijkers dacht dat comapatiënten wel op die manier contact kunnen maken.

De onderzoekers beperkten zich tot bioscoopfilms. Griezelfilms en science fiction lieten ze buiten beschouwing. Ook tv-series lieten ze ongezien. Daar gaan de scenarioschrijvers nog vrijer met de werkelijkheid om, lieten onderzoekers van de universiteit van Pennsylvania eind 2005 in het eindejaarsnummer van het British Medical Journal zien. Van de soapsterren die na een ongeluk in coma raken overlijdt 6 procent. In werkelijkheid overkomt dat 67 procent. Ook op tv zijn bijkomende comapatiënten vaak onmiddellijk weer fris. Op de dag dat ze ontwaken leeft in de tv-soaps 86 procent zonder enige handicaps verder. Dat gebeurt niet in het echt. Daar komt uiteindelijk 1 tot 7 procent van de comapatiënten, afhankelijk van of een verkeersongeluk oorzaak van het coma was, na verloop van tijd weer op zijn oude niveau terug.

    • Wim Köhler