Rusland en China opnieuw uitdagers

De oorlog tegen het terrorisme is niet de enige uitdaging waar de vrije democratische wereld mee kampt, en zelfs niet de grootste. Let op Rusland en China, waarschuwt Robert Kagan.

Sedert de opkomst van het liberale gedachtegoed in de achttiende eeuw heeft het onvermijdelijke conflict tussen dat gedachtegoed en de autocratie zijn stempel gedrukt op de internationale politiek. Wat de vroegere Amerikaanse president James Madison 'de grote krachtmeting van deze tijd tussen vrijheid en tirannie' noemde, heeft een groot deel van de negentiende en het grootste deel van de twintigste eeuw beheerst. In dat tijdperk hebben de vrije en democratische mogendheden in warme en koude oorlogen een front gevormd tegen uiteenlopende vormen van autocratie.

Velen meenden dat het met die strijd gedaan was in 1989, toen het communisme, de laatste pretendent van de 'legitieme' autocratie, bezweek, en de plaats van die strijd als voornaamste bron van conflicten in de wereld werd ingenomen door oude religieuze, etnische en culturele antipathieën. Deze zienswijze leek te worden bevestigd door 11 september 2001 en de opkomst van het islamitische radicalisme.

Maar misschien wordt het huidige tijdperk toch - onder meer - weer het toneel van een nieuwe ronde in het conflict tussen liberalisme (vrijheid en democratie) en autocratie. De hoofdrolspelers aan autocratische zijde worden niet de tweederangsdictaturen van het Midden-Oosten waarop de Bush-doctrine het in theorie voorzien heeft. Nee, het worden de twee grote autocratische mogendheden China en Rusland, die een oude uitdaging presenteren die niet voorzien was binnen het schema van de nieuwe 'oorlog tegen het terrorisme'.

Dat lijkt misschien verrassend, maar het komt doordat die twee mogendheden geen van beide de koers hebben gevolgd die de meeste waarnemers hadden voorspeld. Eind jaren negentig leek Rusland op politiek en internationaal gebied, ondanks de misslagen van Boris Jeltsin, ruwweg op een westerse, 'liberale' toekomst af te stevenen. Van China werd nog in 2002 aangenomen dat het aanstuurde op meer politieke vrijheid in eigen land en toenemende integratie met de democratische wereld. Sinologen en beleidsmakers betoogden dat dát, ongeacht wat de machthebbers in Peking ervan vonden, absoluut vereist was om van China een goed functionerende markteconomie te maken.

Op dit moment lijken die veronderstellingen zelfs voor hun bedenkers twijfelachtig. Over de ophanden zijnde democratisering van Rusland hoor je weinig meer, zomin als over integratie. Dmitri Trenin van het Carnegie Moscow Center stelde onlangs dat Moskou 'de westerse invloedssfeer verlaten heeft en aan een 'vrije vlucht' is begonnen'. China raakt meer en meer geïntegreerd in de mondiale economische orde, maar je hoort nauwelijks meer dat zijn politieke liberalisering onvermijdelijk zou zijn. Terwijl de economie bloeit, handhaven de Chinese leiders stevig het eenpartijbewind - dus spreekt men nu van een 'Chinees model', waarin politieke autocratie en economische groei hand in hand gaan. Dat model spreekt ook de Russische leiders wel aan, al berust in hun geval de economische groei op ogenschijnlijk onuitputtelijke reserves aan aardolie en aardgas.

Tot dusverre was de strategie van het Westen dat men probeerde deze twee mogendheden in te voegen in de internationale liberale orde, en ze te temmen en veilig te maken voor het liberalisme. Maar die strategie ging ervan uit dat zij zich geleidelijk aan, gestaag, tot vrije en democratische samenlevingen zouden ontwikkelen. Als China en Rusland daarentegen in de komende decennia hechte pijlers van de autocratie worden, die standhouden en wellicht zelfs gedijen, dan hoeven wij niet te verwachten dat zij zich zullen aansluiten bij de westerse visie van een mensheid die zich onstuitbaar ontwikkelt in de richting van democratie en afschaffing van autocratisch bestuur. Zij zullen dan eerder doen wat autocratieën altijd hebben gedaan: het sluipenderwijs oprukkende liberalisme het hoofd bieden, in het belang van hun eigen voortbestaan op de lange termijn.

Dat is wat Rusland en China op een bescheiden maar veelzeggende manier op dit moment doen in oorden als Soedan en Iran, waar zij gemene zaak maken om een halt toe te roepen aan de pogingen van het liberale Westen om sancties op te leggen, en in Wit-Rusland, Oezbekistan, Zimbabwe en Birma, waar zij tegen de mondiale liberale consensus in diverse dictators de hand boven het hoofd houden. Je zou al die activiteiten kunnen afdoen als een simpel najagen van welomschreven materiële belangen. China heeft olie van Soedan en Iran nodig; Rusland is uit op de honderden miljoenen dollars die de verkoop van wapens en kernreactors kunnen opleveren. Maar achter deze besluiten zit meer dan een beperkt eigenbelang. Hun verdediging van die regeringen tegen de druk van het liberale Westen komt voort uit hun wezenlijke belangen als autocratieën.

Die belangen zijn niet moeilijk te begrijpen. Neem de kwestie van sancties. De Chinese ambassadeur bij de Verenigde Naties zei het zo: 'Wij hebben in het algemeen altijd principiële bezwaren tegen sancties, in dit geval [Soedan] net zo goed als in andere gevallen.' En geen wonder, want zijn land lijdt nog steeds onder de sancties die de westerse wereld het zeventien jaar geleden heeft opgelegd. China zou wel willen dat de internationale gemeenschap het wapen van de sancties helemaal afschafte. Rusland ook. Het Russische verzet tegen de sancties tegen Soedan 'gaat niet echt om Soedan', merkt Pavel Baev van het Oslose International Peace Research Institute op. Het 'ageert tegen sancties [...] om de bruikbaarheid van dat instrument van de VN in het algemeen tot een minimum terug te brengen.'

Rusland en China staan al evenmin te juichen bij de pogingen van het liberale Westen om in heel de wereld een 'liberale' politiek in te voeren, het minst van al in regio's die voor hen van strategisch belang zijn. Op de 'kleurenrevoluties' in Oekraïne, Georgië en Kirgizië hebben zij vijandig en achterdochtig gereageerd, en dat is begrijpelijk. Westerse liberale denkers beschouwen politieke beroering in die landen als onderdeel van een natuurlijke, zij het schoksgewijze ontwikkeling naar een vrije en democratische samenleving. Maar de Russen en de Chinezen zien er helemaal niets natuurlijks in - alleen maar door het Westen gesteunde coups die bedoeld zijn om de westerse invloed in strategisch uiterst belangrijke delen van de wereld te vergroten.

Hebben zij helemaal ongelijk? Zou de geslaagde liberalisering van Oekraïne, op aandringen en met steun van de westerse democratieën, niet alleen maar het voorspel zijn tot de inlijving van dat land in de NAVO en de Europese Unie - kortom, de expansie van de westerse liberale hegemonie? Trenin heeft opgemerkt dat 'het Kremlin zich in volle ernst opmaakt voor de 'slag om Oekraïne'', en dat het ook begrijpt dat het aftreden van Alexandr Loekasjenko in Wit-Rusland heel goed 'Minsk de Oekraïens-Euro-Atlantische weg op zou kunnen sturen'.

Zoals in tijden van botsingen tussen het liberalisme en de autocratie gebruikelijk is, vertonen aan weerszijden wat men als strategische en ideologische belangen ziet, de neiging samen te vloeien. De Chinezen maken zich dan ook begrijpelijkerwijs zorgen over de vrije toegang tot olie voor het geval van een confrontatie met de Verenigde Staten. Daarom streven zij naar verbetering van de betrekkingen met de regeringen van Soedan en Angola (die beide bij het liberale Westen uit de gunst zijn), met Hugo Chávez in Venezuela, en met de regering van Birma in ruil voor toegang tot havenfaciliteiten. Omdat zij in een voortdurende worsteling om stemmen in de Verenigde Naties verwikkeld zijn om hun positie tegenover Taiwan en Japan te versterken, leggen zij het aan met Robert Mugabe van Zimbabwe, nog zo'n autocraat die door het liberale Westen wordt verafschuwd. Europese liberale interventionisten als Mark Leonard mogen dan kritiek uiten op de bereidheid van China om 'onvoorwaardelijke politieke steun, economische hulp en wapens te verschaffen aan autocratische regimes die anders [...] gevoelig zouden kunnen zijn voor internationale druk', je vraagt je toch af waarom de Chinezen in vredesnaam anders te werk zouden gaan. Zou de ene autocratie zijn belangen opofferen om samen met het Westen een andere autocratie te veroordelen?

Een wrang aspect dat de Europeanen niet zal ontgaan is dat China en Rusland trouw opkomen voor een fundamenteel beginsel van de internationale liberale orde - namelijk dat alle internationale sancties moeten worden goedgekeurd door de Veiligheidsraad van de VN - om het andere hoofddoel van het internationale liberalisme te ondermijnen, dat inhoudt dat de individuele rechten van alle mensen moeten worden bevorderd, ook al gaat dat tegen de regeringen die hen onderdrukken in. Dus terwijl de Amerikanen en de Europeanen zich de afgelopen twintig jaar beijverden om nieuwe liberale 'normen' te ontwikkelen die interventies in oorden als Kosovo, Rwanda en Soedan mogelijk maakten, hebben Rusland en China hun veto gebruikt om te voorkomen dat zulke normen zich zouden 'ontwikkelen'. In de toekomst kunnen we meer van dit soort conflicten verwachten.

De wereld is een ingewikkeld oord; zij staat niet op het punt uiteen te vallen in een simpele manicheïstische strijd tussen liberalisme en autocratie. Rusland en China zijn geen natuurlijke bondgenoten. Beide hebben toegang nodig tot de markten van het liberale Westen. Beide delen ook belangen met de westerse liberale mogendheden. Maar als autocratieën hebben zij grote belangen gemeen, zowel met elkaar als met andere autocratieën. Die worden allemaal belaagd in een tijdperk waarin het liberalisme in opmars lijkt.

Het is volstrekt niet verwonderlijk dat er in reactie daarop een informeel bondgenootschap van dictators is ontstaan, dat Moskou en Peking naar vermogen in stand houden en beschermen. De vraag is wat de reactie van de Verenigde Staten en Europa hierop zal zijn. Helaas zou Al-Qaeda weleens niet de enige uitdaging kunnen zijn waar het liberalisme thans mee te kampen heeft, en zelfs niet de grootste.

Robert Kagan is verbonden aan de Carnegie Endowment for International Peace en is transatlantisch medewerker van het Duitse Marshallfonds. © The Washington Post

    • Robert Kagan