Nederland in The New Yorker

Jane Kramer is beroemd, in Nederland is ze al helemaal wereldberoemd, sinds ze vorige maand een lang verhaal schreef in The New Yorker, getiteld 'The Dutch Model: multiculturalism and Muslim immigrants'. Als u het heeft gemist, zal het niet meevallen het op internet te vinden. The New Yorker is een schitterend weekblad, maar soms onverklaarbaar zuinig. Tip: ga naar het Internet Centre Anti Racism Europe, iemand daar heeft de moeite genomen het lange verhaal geduldig over te typen.

Jane Kramer is al twintig jaar de 'Europe-correspondent' van The New Yorker en schrijfster van verschillende boeken, ze is docente te Princeton en Berkeley; niet de eerste de beste dus. Ze kreeg veel reacties op haar artikel, een stuk of vijfhonderd heb ik tot nu toe geteld, vooral van Nederlanders, van Arnon Grunberg tot Stephan Sanders, en bijna allemaal zijn ze licht tot zwaar negatief.

Jane Kramer begint met het incident in november 2004 in Rotterdam, waar kunstenaar Ripken op zijn gevel een engel schilderde met de tekst 'Gij Zult Niet Doden'. Dat was in de Insulindestraat, naast zijn huis staat een moskee. De politie liet het schilderij wegspuiten, omdat het opruiend zou zijn, zo na de moord op Theo van Gogh, en dat nu, zegt Jane Kramer, is typisch Nederlands.

Vervolgens krijgen we een stukje geschiedenis over de 15 miljoen moslims in West-Europa, over hoe Europeanen plotseling werden geconfronteerd met de vraag naar hun eigen identiteit en de opkomst van de internet-jihad.

Om daar meer over te weten te komen, gaat ze langs bij Albert Benschop van de Universiteit van Amsterdam, die de moslimextremistische websites volgt en zegt dat de moord op Theo van Gogh van tevoren lang en breed was aangekondigd, maar dat niemand iets deed. Jane Kramer concludeert: Nederlanders gaan confrontaties liever uit de weg.

Nog dieper duikt Jane Kramer in de Nederlandse multiculturele geschiedenis: ze begint over de term 'allochtoon', die net als die andere Nederlandse term, 'apartheid', bezig is wereldfaam te bereiken. Om te begrijpen hoe er met de allochtonen in Nederland werd omgegaan, stapt Jane Kramer af op Ruud Lubbers, die rustig zegt dat zijn taak als minister-president bestond uit het aan het werk helpen van mensen. Cultuur en religie zijn privé-kwesties, daar wilde hij zich niet mee bemoeien.

Natuurlijk spreekt Jane Kramer ook Paul Scheffer, de eerste blanke man die allerlei feiten over vreemdelingen aan het licht bracht die al lang bekend waren. Ze spreekt enigszins afwijzend over Job Cohen, die volgens haar door veel Nederlandse commentatoren 'lief, leuk en laf' wordt genoemd.

Ze gaat ook op bezoek bij Mohammed Rabbae, de eerste gekozen moslim in het parlement, die niet kon kiezen tussen politiek en islam. Maar Jane Kramer beschrijft die ontmoeting op sympathieke toon, zoals ze ook de ontmoeting met zijn tegenpool Ayaan Hirsi Ali op een vriendelijke manier neerzet. Hirsi Ali is volgens Kramer in de steek gelaten door het verlichtingsland waarin ze dacht terecht te zijn gekomen na haar ontsnapping uit de islamitische tirannie.

Maar net zo welwillend als ze Hirsi Ali aanhoort, hoort ze Miriyam Aouragh van de Universiteit van Amsterdam aan, die zegt dat als je in Nederland, en met name in het Nederland van de blanke mannelijke heersers, beroemd wil worden, je moet afgeven op de islam. Zo gaat dat in Nederland: blanke mannen krijgen de schuld, of moslimmannen krijgen de schuld, en Paul Scheffer weet daar heel diepzinnig over te melden dat dat een onoverbrugbare kloof oplevert.

Jane Kramer schrijft niets wat wij, Nederlandse krantenlezers, niet al weten, dat vinden veel van haar Nederlandse critici. Maar ze schrijft niet voor Nederlandse krantenlezers, ze schrijft voor de wereldgemeenschap van lezers van The New Yorker, en voor hen kan het behoorlijk nieuw zijn dat Nederland zo krampachtig en lachwekkend omgaat met zijn 'allochtonen'.

En natuurlijk gaat Jane Kramer regelmatig kort door de bocht, zoals dat heet, bijvoorbeeld als ze minister Rita Verdonk neerzet als een voormalig gevangenbewaarder die het liefst alle buitenlanders die de wet hebben overtreden het land uitzet.

Maar zeg eens eerlijk: als je het tot de laatste molecuul nuanceert, verandert de intentie van Rita Verdonk toch niet? Zij opereert binnen de kaders van de juridische mogelijkheden, zoals Pim Fortuyn ook eens zei: 'Als ik het juridisch rond zou krijgen, zou ik gewoon zeggen: er komt geen islamiet meer binnen.'

En uiteraard weten wij Nederlanders het beter: Miriyam Aouragh is helemaal geen academische en moslim-feministische autoriteit, Mohammed Rabbae is geen belangwekkend persoon, Hirsi Ali is niet alleen slachtoffer maar minstens ook provocateur die nu al een tijdje geleden de bruine gedachte uitte van een bevolkingspolitiek jegens moslims, met andere woorden: als moslims toch al besneden worden, kunnen we ze ook meteen castreren. En wie noemde Job Cohen 'lief, leuk en laf'? Zijn tegenstanders zijn echt te dom om op zo'n alliteratie te komen.

Als het ergens knelt, dit verhaal van een Amerikaanse reporter, dan is het elders. De meeste Nederlanders die kritiek hebben op Jane Kramers artikel zijn van buitengewoon beschaafde huize, uitzonderingen als Peter Breedveld daargelaten. En ik denk dat ik weet waar het werkelijk wringt: het wringt in de oeroude wet dat ík kritiek mag leveren op mijn moeder, maar mijn vrouw niet.

Het moment waarop vreemdelingen ons beginnen te analyseren, erger nog: bekritiseren, worden we korzelig en wrevelig. Het is een buitengewoon kinderlijke reactie op buitenstaanders die ons een spiegel voorhouden, maar ik begrijp die reactie. Ik heb het ook. Als ik in Nederland niet als allochtoon zou worden behandeld, zou ik zeggen: Jane Kramer, blijf met je poten van die klootzakken die Nederlanders zijn af.

ramdas@nrc.nl

    • Anil Ramdas