Dood

Je hebt nooit beseft hoezeer je ernaar hunkerde, totdat je het schenkkannetje uit de Han-dynastie op de kunstveiling onder ogen krijgt. Maar wat gaat die tegenbieder lang door!

Ik heb weer toegeslagen! Dit keer is het een groot, liggend vrouwelijk naakt van Kees Maks dat ik over stuur, zadel en bakkie van mijn fiets brug op, brug af door de regenachtige stad naar huis voer. Nou ja, Kees Maks... Wie enigszins ingevoerd is in de mores van het veilingwezen weet dat de aanduiding in de catalogus 'gesigneerd C.J. Maks' niet per se betekent dat Maks er persoonlijk aan te pas gekomen is. Nee, er ís iets met dit naakt. Anders lag zij nu niet voor een prikkie op mijn fiets, maar werd in een op maat gemaakte kist door een in kunstvervoer gespecialiseerd bedrijf naar een Buitenveldertse villa of een museum voor moderne kunst gebracht. Maar dat kan me niet schelen. Ik ben ervoor gevallen, omdat het goed geschilderd is, expressief en in tedere kleuren. Maks of geen Maks, ik vind het gewoon mooi.

Het gaat er meestal spannend aan toe op de verkoopdagen van mijn favoriete Amsterdamse veilinghuis. Het aanbod varieert van zondagsschilders en de bloedkoralen oorhangers van oma tot Breitners en Ming-porselein. Zeer appellerend aan zowel het voddenman- als het schatgraversinstinct. Hier kun je dingen op de kop tikken waar je al jaren naar zoekt of waarvan je nooit hebt beseft hoe je ernaar hunkerde. En je krijgt er gratis theater bij. Vandaag werd er een metershoge negentiende-eeuwse pronkvaas, beschilderd met bucolische taferelen, onthuld (met passend eerbiedige mimiek van de veilingknecht), die een verpletterende indruk op de zaal maakte; men werd er lacherig van. Ingezet op vierhonderd euro stijgt de prijs binnen tien minuten naar de magische grens van tienduizend. En die wordt overstegen, want er zijn twee tegen elkaar opbiedende partijen plus een telefonische bieder en geen van drieën weet van wijken. Daarna beginnen de pauzes tussen het handopsteken echter langer te worden en ook de telefonische bieder kruipt in zijn schulp. Als de veilingmeester 'twaalfduizendvijfhonderd' roept, steekt een roerloze vierde man, die zich tot nog toe nergens in gemengd heeft, een vinger op. De vaas gaat naar hem. De hoogrode wangen van de andere bieders en het lachje van de veilingmeester, kom daar eens om bij het toneel.

De veilingmeester is ditmaal trouwens een meesteres. Een sereen ogende jonge vrouw die af en toe ook een strenge meesteres kan zijn. Als een groepje door de zaal verspreid zittende handelaren elkaar te luidruchtig seintjes begint te geven, zegt ze afgemeten: 'Kunnen de heren met de onderlinge verkoop wachten tot ze in het café zitten?'

Wat mij intrigeert is dat ze een uitdrukking gebruikt die wel gangbaar zal zijn in veilingkringen, maar die ik nog niet vaak gehoord heb. Elke keer als ze geen schriftelijk bod meer achter de hand heeft om de aanwezige bieders te overtroeven, zegt ze: 'Ik ben dood.' Aan de indruk die dat op me maakt, in deze aardse tempel van hebzucht en begeerte, zullen haar jeugd en meisjesachtige lange haar wel bijdragen. Eros en Thanatos, precies. Het kan ook slechts mijn neiging tot morbiditeit zijn.

Er is nóg een stuk dat tijdens de kijkdagen mijn warme belangstelling heeft gewekt, dus ik kan nog niet weg. Het is een bronzen schenkkannetje met een verrukkelijk groen patina, 'vermoedelijk uit de Han-dynastie'. Dat wil ik vreselijk graag in de wacht slepen (in gedachten heb ik het al een plek gegeven), maar ik heb nu die Maks al en thuis heb ik mezelf nog stevig ingepeperd niet boven mijn maximum te gaan - ik ben Dan Brown niet. Daar houd ik me angstvallig aan, als het kannetje aan de beurt is. De man die schuin voor me zit blijkt mijn tegenbieder en zijn maximum ligt kennelijk net iets hoger. Voor een rottige vijftig euro boven mijn laatste bod valt het kannetje hem toe.

'Ik ben dood', zegt de veilingmeesteres.

En ik ben een stomme, voorzichtige, zunige trut.

    • Rascha Peper