Opinie

    • Arjen Fortuin

Losgeslagen vrouwen in het klooster

Zap In ‘Bad habits, holy orders’ verblijven vrouwen, die lijken te zijn gecast op hun oppervlakkigheid, in een nonnenklooster. Daar valt dus stichtelijk amusement van te brouwen.

Rebecca, Joy en Grace in ‘Bad habits, holy orders’ (EO)

Daar klinkt een ijselijke gil door het bos. Au! Au! Au! Au! Geschrokken draaien de aanwezigen hun gezicht naar de vrouw die ze juist daarvoor met een kolossale elektrische heggenschaar even onhandig als resoluut het groen te lijf hebben zien gaan. Het zal toch niet? Gelukkig hoeft de aansprakelijkheidsverzekering van de Evangelische Omroep niet te worden aangesproken. De angstkreet blijkt veroorzaakt door een brandnetel.

Nee, natuurmensen zijn het niet, de vijf jonge vrouwen die voor Bad habits, holy orders (de Nederlandse variant van een Brits concept) tijdelijk in het nonnenklooster Casa Carmeli verblijven. Joy, Melanie, Grace, Roxanne en Desi leken te zijn gecast op hun nadrukkelijk uitgevente oppervlakkigheid. Ik dacht dat zulke mensen alleen op Instagram bestonden.

Vrouwen zonder helder beeld van de zin van hun leven, embedded bij vrouwen die van zingeving de kern van hun bestaan hebben gemaakt – je hebt niet het genie van John de Mol nodig om te zien dat daar stichtelijk amusement van te brouwen valt. En inderdaad, het wemelt van de voorspelbare gesprekken over gebedsverveling, vlekzorgen („Dit is geen spijkerbroek van vijftig euro”) en het soort vervulling dat Jezus in een nonnenleven brengt.

Opgegroeid in Congo

In de loop van de tweede aflevering wordt ook duidelijk dat de vijf vrouwen niet alleen in het programma zitten om hun volgersschare op Instagram uit te breiden. Ze dragen nogal wat met zich mee – en een van hen zelfs onmenselijk veel. Grace groeide op in Congo, verloor haar ouders en vluchtte naar Nederland. Ze is afwisselend zeer luidruchtig, of ze legt plots haar hoofd op haar armen en valt in slaap.

Twee vrouwen springen eruit. De eerste is de boomlange Joy, een grootverbruikster van het voorvoegsel ‘kut’, die bij de lange gebedssessie in de kapel een grote zonnebril ophoudt: „Straks zie ik het licht en ik wil wel kunnen blijven strippen.” Maar aan het eind van de sessie kent ze wel een paar regels gebed uit haar hoofd. Ze ziet veel en weet precies wat de witte kloostermuren met haar doen. „Het is net of ik bij een psycholoog zit.”

Als ze in de tuin een stapel oude pallets vindt, begint ze uit te leggen welke het meeste waard zijn. „Ik hosselde vroeger in die dingen. Ik verkocht geen drugs, maar pallets.” Misschien komt het omdat er verder weinig gebeurde, maar ik vind zoiets fascinerend, een pallethosselaar.

Twintigjarige postulant

De grootste ster van de reeks is de twintigjarige postulant Rebecca. Zij is de jongste reguliere bewoonster van het klooster. Als een uitgelaten puber (rood mutsje op) danst ze met een bladblazer door het bos – onweerstaanbaar.

In het gezelschap van haar wufte leeftijdsgenoten glimt Rebecca onophoudelijk. „We nemen haar straks weer mee”, zeggen die. Ze heeft al op hun accounts gespiekt. „Zomers”, vindt ze de foto’s van een van hen. „Je hebt geen lelijk lichaam.” Tegen de verbaasde zuster aan haar zijde: „Maar dat ís toch zo?”

Dat gebeurde in een intense scène. Na een paar dagen onthouding kregen de vijf vrouwen hun telefoons terug – wat beelden opleverde van een devotie die je normaal alleen bij middeleeuwse mystici aantreft. Snel werden de accounts gecheckt, daarna werd huilend naar huis gebeld om te zeggen hoe moeilijk en eenzaam het was.

Wat zou Rebecca eigenlijk zeggen als ze naar huis belt? Twijfelt zij over de komende vijftig jaar? Wat mij betreft gaat de rest van de serie alleen over haar.

    • Arjen Fortuin