'Zelfs als een passagier onwel is, gaan sommigen kankeren'

Trambestuurder Emile de Roover (60) heeft deze maand, na 31 dienstjaren, zijn laatste rit met de Amsterdamse tramlijn 14 gereden.

'In de eenendertig jaar dat ik op de tram zat ben ik één keer een weekje thuis gebleven. Eén keer! Dat mag beslist een wonder heten. Op zichzelf is de tram besturen geweldig werk. Elke dag heb je met de hele samenleving te maken. In achtentwintig meter, want zo lang is de tram. Maar hoe die samenleving zich heeft ontwikkeld, tjonge, jonge. Er is een tijd geweest, ergens in de jaren negentig, dat ik in mijn dagboek de vreselijkste dingen over mensen begon te schrijven. Hier staat: 'Sommigen zeggen dat mensen gelijk aan beesten zijn. Dat is voor beesten een belediging'. Mijn vrouw zei: 'Emile, dat moet je niet doen. Je bijt je erin vast. Je moet het van je afzetten.' Dan gingen we weer praten. Ik zeg wel eens: eigenlijk werkt mijn vrouw ook bij het GVB. Of beter, het hele gezin.

Het was al laat op die bewuste avond toen ik bij het eindpunt in het tramhuisje zat. Ik kijk op m'n horloge en zie dat het tijd is. Nog één rit te gaan. Buiten staat een stel opgeschoten jongens voor de tram. Vijf knapen van een jaar of achttien. Ik heb ervaring, dus ik zag dat het rottigheid kon worden. En ja hoor, ze laten me niet instappen. Ik zeg: 'waarom doen jullie dat?'. Zegt er een: 'jij komt de tram niet in'. Op een zo vriendelijk mogelijke toon zeg ik: 'jongens, doe me nou een lol, maak nou geen grapje, want ik moet weg. Het is tijd.' 'Ben je soms doof', is het antwoord, 'jij komt de tram niet in!'

Tja, wat doe je dan? Resoluut duw ik degene die voor me staat een beetje opzij, en alsof ze daar op gewacht hebben, krijg ik gelijk de rest boven op me. Slaan, schoppen, tegen m'n kont, op m'n rug. Ik had nog geluk, want ze gingen niet heel lang door. Toen ze joelend wegliepen, ben ik toch de cabine in gegaan, en heb de rit afgemaakt. Zo professioneel ben ik wel. Maar ik kwam huilend thuis, en had het helemaal gehad. Praten was even niet genoeg. Weet je wat het probleem is? Er is geen gezag meer. Ik heb een keer een brief geschreven naar het GVB, met het verzoek om het oude uniform in ere te herstellen. Inclusief de pet! Wat moet je anders?

Bij mijn aantreden in '75 kon je de mensen nog corrigeren. Dat moet je nu proberen. Schelden, spugen, dreigen - er gaat geen dag voorbij of er gebeurt zoiets. Ik heb het allemaal zien aankomen. Progressief en anti-autoritair zijn was de mode, hè? De generatie die dat voorstond vergat dat ze zelf redelijk streng zijn opgevoed. Tien jaar later begon de ellende. Wacht, waar is het papiertje waar ik dat heb opgeschreven, o ja, het was in Nieuw West. Er staat een klas schoolkinderen van een jaar of zes bij de halte, met de onderwijzeres erbij. Kom ik aanrijden, steken een paar kinderen hun middelvinger omhoog. Ik stap uit, loop naar die juf en zeg: 'wat heeft dit te betekenen?' Zegt ze lachend: 'ze hebben gelijk, je bent te laat!' Toen heb ik tegen dat mens gezegd: 'mevrouw, u mag dan pedagogie hebben gestudeerd, en ik ben maar een eenvoudige trambestuurder, toch heb ik meer hersens dan jij. Nu is het een middelvinger, maar als jij met je opleiding ze zo opvoedt, dan wordt die vinger later een mes!' Dat beeld is aardig bewaarheid geworden. Als je de remise ziet, het lijkt checkpoint Charlie wel. Prikkeldraad, camera's in de tram, videobewaking plus beveiligde cabines die je helemaal kunt afsluiten. En wij een cursus zelfverdediging.

De Napoleon Associatie heeft me gered. Zonder die historische vereniging had ik het niet volgehouden. Ik werd er lid van in 1996, vijf jaar na de terugkeer van de conducteur op de tram. De grofheden bereikten toen hun hoogtepunt. Men had maling aan je gekregen, en nu moest er opeens worden betááld! Het zwartrijden liep de spuigaten uit. Had je een steekproefcontrole, dan liep de halve tram leeg. De eerste maanden hebben we een oogje dicht gedaan, maar daarna was het afgelopen. Er waren passagiers die zo kwaad werden dat ze hun geld op de vloer smeten. Of tegen het raam van mijn cabine. Ik weet het, het ligt voor de hand om te denken dat mijn hobby is bedoeld om zelf eens even agressie te kunnen spuien. Oorlogje spelen bij Waterloo, in vol tenue. Geloof me, ik heb een dergelijke inborst niet, of het zou onbewust moeten zijn. Dat is voer voor psychologen. Het is een uitlaatklep in de zin van het vergeten. Je bent tweehonderd jaar terug in de tijd.

Door alle beveiligingsmaatregelen is de agressie uiteindelijk afgenomen. Maar nu is er weer een andere factor waardoor ik blij ben dat het voorbij is. De privatisering. Ik moet dagelijks vier in plaats van drie ritten rijden. Daar kan het bedrijf niets aan doen. Dat is het gevolg van concurrentie op de vervoerdersmarkt. Een praatje maken met de passagiers is er niet meer bij. Ik heb de hele dag haast. Je kunt in een stad als Amsterdam al nauwelijks op tijd rijden, dan zou je ondergronds moeten gaan. Bruggen die openstaan, opstoppingen, een ongeluk, noem maar op. Te laat zijn ligt nooit aan de bestuurder. Nooit! Je kunt het niet uitleggen. De passagiers hebben nog meer haast dan ik. Of ze zijn met hun mobieltjes bezig.

Men luistert niet meer. Chagrijnig! Moet je eens een zwartrijder hebben die moeilijk gaat doen. Je belt ondersteunende taken en zet de tram stil. Begint men te schreeuwen: 'Wat kan jou het schelen? Rijden, sukkel.' Zelfs als een passagier onwel is, gaan sommigen kankeren. Hoelang gaat dat duren? Pfff. Dat gaat van hoog tot laag. In die zin valt niemand te stigmatiseren. Geen klasse en geen ras. Voordat ik in '82 lijn 14 kreeg, was het stukken gemoedelijker. Soms had je personen met gitaren in de tram, of met een accordeon. Amsterdamse liedjes zingen. Of je kreeg fruit van de passagiers als ze van de markt kwamen. Nee hoor, ik ben niet ouderwets of conservatief. Mijn hele leven ben ik overtuigd communist geweest, de laatste jaren socialist. Diep van binnen geloof ik toch in de goede wil van mensen. Als er maar orde is, en behoorlijke omstandigheden.

Ik ben trambestuurder geworden om het brood. Achteraf had ik geschiedenis willen studeren omdat daar altijd mijn belangstelling heeft gelegen. Het kon niet. Ik moest gaan werken. Zo ging dat. Een paar dagen geleden praat ik via de intercom met de conductrice. Ik vertel wat ik na mijn pensionering allemaal ga doen, over m'n liefhebberijen, en we halen herinneringen op. Zegt ze opeens: 'Emile, de knop staat open, de hele tram luistert mee!' Ik aarzelde een moment en zei toen: 'Dames en heren, u heeft het allemaal gehoord, nou, dan maak ik het verhaal ook maar af als u het niet erg vindt.' Ben ik klaar, beginnen ze te klappen. Bij de halte kreeg ik van veel mensen een hand. Succes, chauffeur. En geniet ervan. Toen kreeg ik een brok in m'n keel.'

Opgetekend door Roel Visser