Waarom ik werd ontslagen als commentator - de drie doodzonden voor een Arabische journalist

De kloof tussen woord en wereld in de Arabische wereld is veel te groot. Te veel onderwerpen zijn taboe. Maar een vrije pers is een morele plicht voor de samenleving.

Deze maand werd ik plompverloren ontslagen door mijn Saoedi-Arabische krant, het vooraanstaande Engelstalige dagblad Arab News. Het maakte niets uit dat ik al negen jaar commentaren voor de opiniepagina schreef of dat mijn werk vaak werd aangehaald in de Europese en Amerikaanse media.

Wat telde was, dat ik een van de drie hoofdzonden had begaan die een Arabische journalist moet vermijden als hij voor de Arabische pers werkt: ik had kritiek op de regering uitgeoefend.

De andere twee hoofdzonden? De islam als een probleem presenteren en namen noemen bij kritiek op de politieke leiders uit de Arabische of islamitische wereld wegens hun schaamteloze onmatigheid, bedroevende onkunde en flagrante machtsmisbruik.

Natuurlijk is het onzinnig medewerkers te beletten iets te zeggen over het thema van de islam, een sociale ideologie die, nu ze in de greep is van de jihadisten, het wereldnieuws beheerst. En natuurlijk wordt het hoog tijd dat de Arabische maatschappij - die ruim een halve eeuw na haar onafhankelijkheid nog altijd gebroken is in lichaam en geest - eens serieus naar zichzelf kijkt en dat in de media een open debat tussen intellectuelen, academici, politieke analisten en anderen op gang komt over de vraag waarom de Arabieren in al die jaren geen antwoord hebben gehad op de uitdagingen van de moderne tijd.

Maar zo zijn nu eenmaal de strikte, om niet te zeggen kinderachtige regels die de gang van zaken bij de Arabische pers bepalen. Je houdt je aan die regels of je vliegt eruit.

Soms vergt dit niet meer dan een telefoontje naar de leiding van je krant door een halve analfabeet uit regeringskringen of een fundamentalistische imam die in zijn leven nog geen vijf fatsoenlijke boeken heeft gelezen, of anders door een ontstemde diplomaat op een islamitische of Arabische ambassade in Riad die niet te spreken was over iets wat je in je column over zijn land hebt gezegd. Het resultaat is hetzelfde: je carrière is verwoest. Soms, als je geluk hebt, valt je werk in de smaak bij de redacteur van de opiniepagina en gunt deze je wat ruimte door achter de schermen voor je te lobbyen, vaak op het gevaar af zelf zijn baan te verliezen. Maar ook dan sta je bij een tweede of derde keer onherroepelijk op straat.

Mijn eerste provocatie was - schande! - dat ik kritiek had op de Egyptische leider Hosni Mubarak, nadat deze een paar jaar geleden hard was opgetreden tegen de mensenrechtenactivisten in zijn land. Mijn tweede volgde kort na de mislukking van de akkoorden van Camp David, toen ik opriep tot het aftreden van Yasser Arafat als hoofd van de Palestijnse Autoriteit. Mijn laatste was toen ik schreef over de gruweldaden die Indonesië had begaan tijdens de bezetting van Oost-Timor tussen 1975 tot 1999. Voor deze misstap kende mijn Saoedische krant geen genade. Ik kon gaan. Geen vragen, geen verklaring. Je schrijft niet ongestraft over de wreedheden van een islamitische regering, ook niet als deze al in de geschiedenisboeken staan.

Maar dit is niet alleen maar een verhaal van een Arabische journalist die zijn baan is kwijtgeraakt. Het is ook een verhaal met gevolgen voor de pogingen die de Amerikaanse regering op het ogenblik doet om de Arabische landen te laten 'kennismaken' met democratie, waarvan een belangrijke bouwsteen bestaat uit onafhankelijke, vrije media.

Wat de Arabieren nog moeten leren, ook degenen die zich uitgeven voor krantenredacteuren, is dat een vrije pers, een werkelijk vrije pers, voor de samenleving een morele plicht is. Democratie is dan wel een politiek systeem, maar het is ook een sociale mentaliteit. Hoe ontvankelijk kan een land zijn voor zo'n mentaliteit als de bevolking generaties lang in een geest van angst heeft geleefd - angst voor oorspronkelijkheid, angst voor vernieuwing, angst voor spontaniteit, angst voor het leven zelf - en als het heeft geleerd te berusten in orthodoxie, afhankelijkheid en onderwerping? De Arabische wereld is helaas nog altijd een heterogeen samenraapsel dat grotendeels wordt geregeerd door autoritaire regimes die vertrouwen op dwang, geweld en terreur, en die van hun burgers onderwerping, gehoorzaamheid en volgzaamheid eisen. En dit geldt ook voor de burgers die zich 'journalisten' noemen en die zich inmiddels niet meer bekommeren om hun verantwoordelijkheid voor waarheid en logica. In deze sfeer wordt het als spitse journalistiek beschouwd om op de opiniepagina's van vooraanstaande Arabische kranten te schrijven dat de aanslagen van 11 september 2001 het werk van Israëlische agenten waren, dat de dood van prinses Diana het gevolg was van een duivels complot van de Britse geheime dienst, die haar nog liever vermoordde dan haar met een Arabische moslim getrouwd zag, dat Monica Lewinsky door de 'joodse lobby' als 'mol' in het Witte Huis was geplant - en meer van dat soort infantiele flauwekul. Voor de Arabieren gaapt er nog altijd een grote kloof tussen woord en wereld. Je kunt strooien met complottheorieën en je mag van je redactie de grootst mogelijke onzin uitkramen, maar waag het niet te schrijven over de wandaden van politieke leiders in Egypte en Palestina of over de gruweldaden van een collega-moslimregering in Oost-Timor. Voor zulke misstappen betaal je een erg hoge prijs als je voor de Arabische pers werkt.

©LAT/WP

Journalist en woonachtig te Washington. Auteur van onder meer 'The Disinherited: Journal of a Palestinian Exile'.

    • Fawaz Turki