Verkeerde vrienden

De vriendengroep heeft op een tiener meer invloed dan zijn ouders. Maar wat te doen als een vriendengroep een jeugdbende wordt?

De grootste angst van ouders met tienerkinderen is dat ze verkeerde vrienden krijgen, zegt pedagoog en onderzoeker Bas Levering van de Universiteit Utrecht. Al die ouders weten hoe belangrijk vrienden zijn en hoe groot hun invloed is. Daar hebben ze geen onderzoek voor nodig.' Vrienden openen het venster op de wereld, zegt hoogleraar jeugd en kinderstudies Wim Meeus van de Universiteit Utrecht: De vrijetijdscultuur waarbinnen tieners zich bewegen is grotendeels georganiseerd rond vrienden. Kinderen leren alles van elkaar: hoe ze contact leggen met het andere geslacht, welke films of muziek cool zijn, alcohol drinken en welke kleding ze moeten dragen om erbij te horen.'

De invloed van leeftijdgenoten (peerpressure) op jongeren is groot, vindt pedagoog en voormalig jeugdhulpverlener en maatschappelijk werker Marinus Traas. Hij promoveerde onlangs aan de Universiteit van Tilburg op een studie naar de oorzaken van jeugdcriminalteit. Peerpressure is prima als het om fijne vriendschappen gaat, maar de invloed van leeftijdgenoten wordt een probleem als tieners in een groep ongewenst gedrag van elkaar gaan overnemen. In de ernstigste vorm gaat het om kopiëren van crimineel gedrag. Vooral adolescenten uit kansarme, problematische gezinnen zijn gevoelig voor de invloed van peers, stelt Traas. Bij hen vindt de socialisatie vooral buiten het gezin plaats. Zij zijn extra kwetsbaar en worden eerder meegezogen in de criminaliteit.

Traas' conclusie wordt breed gedeeld, blijkt uit een rondgang langs ontwikkelingspsychologen en pedagogen. Dat is niet vreemd, want het proefschrift van Traas is grotendeels een beschrijving van recent, bestaand onderzoek op het gebied. Traas, die verschillende lesboeken schreef voor studenten pedagogiek aan hogescholen, maakte een leesbare compilatie. Daarnaast beschrijft hij het lot van zes criminele jongens en meisjes en probeert hij te analyseren wat de oorzaken zijn voor hun criminele en grensoverschrijdende gedrag.

harde aanpak

Overlastgevende jongeren en jeugdige criminelen staan in het middelpunt van de belangstelling. Politici, bestuurders en beleidsmakers bepleiten steeds vaker een harde aanpak, niet alleen van criminele, maar ook van hinderlijke en overlastgevende jongeren. Het ging de afgelopen maanden over werkkampen voor werkloze jongeren, over onderwijssheriffs om schoolverzuim te voorkomen, over opvoedinternaten voor criminele Antillianen en een lik-op-stuk-beleid voor Marokkaanse hangjeugd. De teneur is vaak: ouders schieten tekort in de opvoeding. En als de ouders hun verantwoordelijkheid niet nemen, dan doen wij het wel.

Leefbaar Rotterdam stelde voor de kinderbijslag in te houden als ouders hun kinderen verwaarlozen waardoor ze in de criminaliteit belanden.

Maar wat is in Nederland de favoriete aanpak van gedragsgestoorde of criminele jongens? We sluiten ze samen op in een hok.' Criminologe Josine Junger-Tas wordt pissig als ze erover spreekt. Worden ze daar beter van? Nee dus! Ze leren voornamelijk ellendige zaken van elkaar.' In een artikel in een vorig jaar verschenen themanummer over groepsinvloeden van het Journal of Abnormal Child Psychology, vinden de onderzoekers het een ironisch gegeven dat veel van de gebruikelijke behandelingen van probleemjongeren inhouden dat ze in een omgeving worden geplaatst waarin ze met andere probleemjongeren worden samengebracht.'

De roep om een stevige, repressieve aanpak van probleemjongeren wordt de laatste jaren in Nederland steeds sterker, zegt Junger-Tas. Zelfs gedragsgestoorde, niet-criminele kinderen worden regelmatig gedurende maanden in een justitiële jeugdinrichting opgesloten omdat er elders binnen de jeugdzorg geen plaats voor hen is. Uit een onderzoek van het Verweij-Jonker Instituut voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar dit zogenoemde samenplaatsen, waarbij de jongeren in de jeugdgevangenissen ondervraagd werden, bleek dat ze zelf de kans op besmetting' groot vonden.

In de Verenigde Staten is onderzoek gedaan naar een heel andere aanpak van gedragsgestoorde kinderen en jeugdige criminelen. Zij worden niet uit huis geplaatst en opgesloten, maar binnen het gezin zeer intensief begeleid. Ook de overige gezinsleden krijgen hulp. Voordeel is dat ze gewoon naar school kunnen gaan en in hun eigen omgeving blijven. De resultaten die in de VS met programma's als Functional Family Therapy en Multi Systemic Therapy worden bereikt zijn gunstig. Bij Multi Systeem Therapie brengt een beperkte behandelduur van vier tot zes maanden de herhaling van ongewenst gedrag langdurig terug en kan uithuisplaatsing worden voorkomen. Met deze programma's wordt sinds kort op bescheiden schaal in Nederland geëxperimenteerd. Deze aanpak is minder ingrijpend dan de jeugdgevangenis', zegt hoogleraar opvoedkunde aan de Universiteit van Amsterdam Jo Hermanns. 'Ze zijn daardoor kansrijker.'

ingrijpen

Over een nog betere (lange termijn) oplossing zijn wetenschappers eensgezind. Kinderen uit probleemgezinnen is een sombere toekomst te besparen door vroegtijdige, structurele ondersteuning van het gezin. De meeste ouders gaat het opvoeden redelijk tot goed af, maar pedagogen en psychologen gaan ervan uit dat het bij vijftien procent van de kinderen niet goed gaat; met vijftien procent dáárvan gaat het ronduit slecht. Het gaat dan om 2 op de 100 kinderen. Traditioneel werd er meestal pas ingegrepen in gezinnen als de problemen zo groot waren dat het kind ernstig gevaar liep. Preventief ingrijpen zou te veel inbreuk maken op de privacy van de ouders. Dat moet anders', zegt Josine Junger-Tas. Als gezinnen vroeg ondersteund worden, is de kans op succes veel groter.'

Vorige week pleitte de commissaris voor jeugd- en jongerenbeleid, die in opdracht van vijf ministeries de uitvoering van het jeugdbeleid onderzoekt, Steven van Eijck, in een advies aan het kabinet voor een betere organisatie van jeugdhulp en opvoedingsondersteuning. Volgens Van Eijck moet het kind centraal staan in het jeugdbeleid, en niet de instanties, zoals nu het geval is. De Inventgroep, wetenschappers deskundig op het gebied van de jeugdzorg, schreven in opdracht van staatssecretaris Ross (Welzijn, CDA) een rapport - vorig jaar verschenen - over de toekomst van de jeugdzorg. De strekking van het rapport was dat wachten met ingrijpen tot de problemen zeer serieus zijn funest is voor de kinderen. In dat stadium zijn er vaak alleen nog rigoureuze maatregelen, zoals uithuisplaatsing, mogelijk. Dan wordt het kind uit de probleemsituatie gehaald, zegt Jo Hermanns, lid van de Inventgroep. Soms gaat het dan in een pleeggezin of in een internaat best goed: het wordt niet mishandeld of gekleineerd, krijgt wel aandacht en liefde. Maar zodra je het kind terugplaatst in het eigen gezin, beginnen de problemen opnieuw, want dáár is niets veranderd.'

De Inventgroep pleit voor toegankelijke hulp voor alle ouders, liefst geconcentreerd in een Centrum voor Ouder en Kind in elke wijk. Van Eijck nam die aanbeveling over in zíjn rapport. In die centra werken alle mensen en instellingen samen, die met kinderen te maken hebben. Ouders kunnen er terecht met kleine en grote problemen, door de intensieve samenwerking worden ze snel geholpen of doorverwezen naar de juiste persoon. Het centrum moet ook kunnen doorverwijzen naar gespecialiseerde jeugdhulp. Hulpverleners kunnen adviezen geven en informatie. En als het nodig is kunnen ze een gezin helpen de problemen op te lossen en weer greep te krijgen op hun eigen leven.

Het is een ode aan de opvoeding. Maar het belang van de opvoeding was niet altijd onomstreden. In 1998 kwam een geruchtmakend boek uit van de Amerikaanse psychologe Judith Harris The Nurture Assumption, why childeren turn out the way they do, in het Nederlands vertaald als Het Misverstand Opvoeding. Judith Harris betoogde dat de invloed van ouders op kinderen zeer gering was. Harris ondersteunde haar theorie met resultaten van het tweelingenonderzoek dat sinds de jaren zeventig aan de universiteit van Montana werd uitgevoerd. Eeneiige tweelingen die meteen na de geboorte van elkaar werden gescheiden en in andere gezinnen opgroeiden, verschilden na jaren nauwelijks meer van elkaar in karakter en persoonlijkheid dan eeneiige tweelingen die samen opgroeiden.

In navolging van de onderzoekers van de tweelingenstudie nam Harris aan dat ongeveer de helft van het karakter van kinderen genetisch was bepaald. En die andere helft, stelde Harris provocatief, wordt niet gevormd door de ouders, maar in interactie met leeftijdgenoten, de peers ; niet alleen bij pubers, ook bij jonge kinderen. Kinderen nemen gedrag en ideeën vooral over van leeftijdgenoten op school en in de wijk. Ouders hebben daar geen invloed op, of het moet indirecte invloed zijn, door de keuze van woonwijk en school.

disneyland

De theorie van Harris, vindt Levering, moet je zien binnen de context van de Amerikaanse maatschappij. Traditioneel maken we een verschil tussen de Europese en de Amerikaanse puberteit, de periode waarin kinderen een eigen identiteit vormen en volwassen worden. In de Europese opvoeding stond het persoonlijke conflict met de ouders centraal. Kinderen werden een persoon over de rug van hun ouders.' In de VS, waar ouders en kinderen meer langs elkaar heen leven, verloopt dat proces vooral via de peergroup, betoogt Levering. Activiteiten met leeftijdgenoten zijn daar altijd al veel belangrijker dan in Europa. Amerikaanse ouders ondernemen wel activiteiten met hun kinderen, gaan bijvoorbeeld naar Disneyland, maar dan gedragen ze zich daar ook als kinderen.' Harris was een hype, zegt Levering. Maar Nederland veramerikaniseerde snel. En vergis je niet; ze was ook een steun voor ouders die hun opvoeding hadden zien mislukken. Zij konden zich minder schuldig voelen.'

Het boek van Judith Harris was een breuk in het denken over opvoeding, zoals dat vanaf de achttiende eeuw was ontstaan. Of het kind nu werd gezien als onbeschreven blad (tabula rasa) dat gedisciplineerd moest worden of als onschuldig wezen dat beschermd moest worden en weerbaar gemaakt, het waren de opvoeders die in de achttiende en negentiende eeuw de belangrijkste rol kregen toegedicht. Harris veronderstelde dat ouders er nauwelijks toe deden, zegt Jo Hermanns. Dat klopt niet. Maar ze wees terecht op het belang van de genetische aanleg en de invloed van leeftijdsgenoten.'

Harris overwaardeerde de peerpressure, zegt Wim Meeus. Meeus vindt het echt absurd' om te stellen dat de opvoeding er niet toe doet. Opvoeding is noodzakelijk om kinderen te socialiseren. Zonder opvoeding leren ze niets. Als opvoeding er niet toe deed, konden we baby's de hele dag in hun wiegjes laten liggen en alleen af en toe een fles geven. En weet je wat er dan gebeurt? Dan gaan ze dood.'

harmonieus gezin

De opvoeding door ouders of verzorgers heeft grote invloed op de persoonlijkheid en de prestaties van kinderen. Wim Meeus deelt zijn standpunt met praktisch alle hedendaagse wetenschappelijke onderzoekers in het vakgebied van de opvoedkunde. Kinderen die opgroeien in een harmonieus gezin, een goede relatie hebben met de ouders of verzorgers en gestimuleerd worden om te leren, hebben meer kans om later in het leven te slagen. En andersom: kinderen die opgroeien in probleemgezinnen hebben grote kans om later zelf ook in de problemen te komen. Uit onderzoek van de groep van Meeus blijkt telkens weer dat de opvoeding belangrijker is dan de peers, zeker bij jonge kinderen.

In de puberteit worden de peers heel belangrijk, zegt Bart Levering. Maar dat wil niet zeggen dat ouders geen invloed op hun pubers hebben. Je ziet het niet terug in de kleding die ze dragen, je hoort het niet in de muziek die ze leuk vinden. Maar kinderen krijgen van ouders waarden mee, een attitude. De invloed van de ouders is minder zichtbaar. Vaak beseffen kinderen pas als ze zelf volwassen zijn hoezeer ze hun ouders meetorsen op hun rug. Sommige kinderen komen nooit van de invloed van hun ouders af.'

De relatie tussen kinderen en ouders, stelt Meeus, is niet gelijkwaardig. De ouders zijn de baas.' In die relatie leren kinderen om te gaan met macht. De relaties tussen vrienden zijn in principe gelijkwaardig. Kinderen leren van hun vrienden zich te gedragen in gelijkheidsrelaties. Dat is handig voor latere relaties met een partner, een collega, een vriend.' Daarnaast, zegt Meeus, leren pubers veel zaken die ze niet van hun ouders leren. Maar er blijft een taak voor de ouders, zegt Meeus. Zij moeten in de gaten houden of hun kinderen niet met slechte vrienden omgaan.'

In elke groep die bestaat uit jongens tussen de twaalf en de vijftien, zestien, zeventien jaar oud, is er een risico van negatieve beïnvloeding, zegt Hermanns. Het maakt niet uit of het gaat om een zomerkamp, een voetbalclub of een schoolklas. ' In de literatuur heet dat verschijnsel deviancy training. In de American Psychologist verscheen in 1999 een artikel waarin - op basis van uitgebreid onderzoek - wordt gesteld dat probleemkinderen (high-risk youth) veel gevoeliger zijn voor negatieve beïnvloeding vanuit de groep leeftijdsgenoten dan kinderen zonder probleemgedrag (low-risk youth). Het gedrag van 206 jongens uit Oregon, die jarenlang werden gevolgd in de Oregon Youth Study, werd 25 minuten lang geobserveerd en op video opgenomen tijdens discussies over een neutraal onderwerp en over een normoverschrijdend onderwerp. Probleemkinderen bleken veel vaker instemmend te reageren - ze moesten er bijvoorbeeld om lachen - op normoverschrijdende onderwerpen dan de kinderen zonder probleemgedrag.

Het proces is als volgt, legt Jo Hermanns uit: anti-sociaal gedrag, zoals dingen vernielen, stelen, iemand bedreigen of verwonden, wordt een positieve waarde toegekend door de groep. Hermanns: Ze lachen er samen om. Het gedrag is binnen de groep geaccepteerd of zelfs stoer.' Dat is ook het effect dat optreedt bij het zogenoemde happy slapping, een recente trend onder bepaalde groepen jongeren. Sla een argeloze voorbijganger, film die actie met je mobiele telefoon en lach je achteraf samen met je vrienden kapot. De politiekorpsen van Amsterdam, Den Haag, Landsmeer, Almere en Amstelveen maakten er afgelopen jaar melding van.

Traas ziet jeugdcriminaliteit ook als een overlevingsstrategie waarmee de persoon zich psychisch en sociaal staande houdt en zich presenteert in een discontinuë wereld'. Deze presentatie ('performance', zegt Traas) van de jongere hangt samen met de jeugdcultuur waarbinnen de groep zich beweegt. Jongeren', zegt Traas, ontlenen hun performance elementen aan de jeugd(sub)cultuur, niet alleen in attributen of kleding, maar ook in mentaliteit.' Dat kan dus ook negatieve kanten hebben. Traas vindt dat jeugdhulpverleners zich meer moeten verdiepen in de jeugdcultuur en de bijbehorende presentatie van jeugdigen binnen een bepaalde groep. Als ze de jeugdcultuur en de presentatie van de jongeren daarbinnen beter begrijpen kunnen ze hen beter helpen, vindt Traas.

De jeugdcultuur op zichzelf criminaliseren is onjuist, vindt Traas. Maar sommige onderdelen van een jeugdcultuur vormen een toegangsweg naar verschillende vormen van criminaliteit. Daarom is kennis van de jeugdcultuur zo belangrijk.'

Neem de islamitische terroristische Hofstadgroep waartoe de moordenaar van cineast Theo van Gogh behoorde. Die groep heeft allerlei kenmerken van een jeugdcultuur: opzoeken van gevaar, zoektocht naar een grote leider, radicalisering van standpunten, afsluiten van de buitenwereld. Ik praat het op geen enkele manier goed. Maar met kennis van het fenomeen jeugdcultuur kun je het eerder signaleren en snel reageren.'