Stamceltherapie verdient genuanceerder oordeel

Stamceltherapie kwam in de afgelopen dagen op een minder positieve manier aan de orde in verschillende artikelen. Het hoofdredactioneel commentaar van 1 mei noemt het gebruik van stamcellen in één adem met kwakzalverij en fraude, voordat wordt gesteld dat ”er nog weinig concrete resultaten zijn waar patiënten wat aan hebben”. Om drie redenen verdient stamceltherapie een meer genuanceerde benadering.

Ten eerste kan een behandelingsvorm niet worden neergesabeld als oplichting. Het stamcelconcept leent zich voor misbruik, omdat het toeziet op uitbehandelde patiënten voor wie per definitie geen therapiemogelijkheden bestaan. Georganiseerde busreizen naar Lourdes liften mee op dezelfde hoop en half Nederland slikt vitaminecocktails zonder dat men patiënt is, laat staan uitbehandeld. Waar ligt de grens en wie trekt deze?

Ten tweede zijn er wel degelijk voorbeelden van stamceltherapie die zich hebben bewezen. Het ontbreekt aan een overzicht welke stamcellen voor welke indicatie worden gebruikt. Stamceltransplantatie na chemische verbrandingen wordt al sinds jaren toegepast in de oogheelkunde en staat uitgebreid gedocumenteerd in de medische literatuur. De resultaten variëren met de uitgangssituatie, maar het alternatief is doorgaans functionele blindheid.

Ten slotte wordt in het commentaar gesteld: ”gebruikte lichaamsweefsels van donoren zijn niet altijd te vertrouwen”. Het is jammer dat men een opkomend veld met zoveel potentie zo negatief benadert. Met welk doel? Voorkom je met een verbod dat de Nederlandse patiënt zijn heil elders zoekt? Of kan ons land innovatieve technieken juist beter stimuleren en faciliteren?

    • Dr. G.R.J. Melles