Misverstand

Sommigen onder u menen, zo heb ik uit reacties van lezers begrepen, dat ik een fel tegenstander zou zijn van alles wat riekt naar onderwijsvernieuwing. Die veronderstelling klopt niet. Mij zijn alle vormen van onderwijs, oud zowel als nieuw, even lief. Een vernieuwende aanpak in de vorm van integratie van vakken, meer op de praktijk afgestemd onderwijs, meer zelfwerkzaamheid, eigen verantwoordelijkheid, afstemmen op de interesse van de leerling en nog veel meer, die verscheidenheid juich ik toe omdat niet elke vorm van onderwijs voor iedereen even geschikt is. Leerlingen en studenten moeten wat te kiezen hebben. Schoolbestuurders, directeuren of onderwijskundigen die mij veelvuldig verwijten dat ik niets moet hebben van nieuwerwetsigheden, hebben het bij het verkeerde eind. Hoe komt dit misverstand in de wereld?

Ik denk dat de oorzaak hiervan moet worden gezocht in mijn opvatting over de rol van de leraar. Geen enkele vernieuwing kan slagen als de mensen die die moeten uitvoeren er geen vertrouwen in hebben. Dit uitgangspunt wordt in het onderwijs veelvuldig met voeten getreden en de vraag is dan ook gewettigd waarom juist deze sector zich daar zo vaak aan bezondigt.

In het verleden kwam het slechts incidenteel voor dat directeuren zich actief bemoeiden met de inrichting van het onderwijs. Daar hadden ze ook maar weinig ruimte voor: het aantal lesuren en de verdeling daarvan over de vakken, dat lag allemaal nagenoeg vast. Niettemin waren er hier en daar scholen waar, binnen de bestaande marges, sprake was van een eigen, vernieuwende aanpak. De motivatie voor een dergelijke collectieve inspanning ontleenden de directie en de leraren aan hun overtuiging dat hun van het gangbare patroon afwijkende werkwijze leidde tot beter onderwijs.

Inmiddels zijn onderwijsinstellingen tot op zekere hoogte autonoom geworden. Daarmee hebben scholen meer ruimte gekregen om het onderwijs naar eigen inzicht in te richten. Voor de vanouds vernieuwingsgezinde scholen heeft dit als voordeel dat ze minder gehinderd worden door beperkende regelgeving. Daarnaast zijn er veel scholen die, ondanks de nieuw verkregen autonomie, alles min of meer bij het oude hebben gelaten.

En ten slotte zijn er de (hoge)scholen waar de besturen, die in het verleden nooit betrapt konden worden op enige affiniteit met onderwijs, zich, met de nieuwverworven autonomie, plotseling ontwikkeld hebben tot pleitbezorger van een of andere vorm van onderwijsvernieuwing. En daarbij valt de keuze dan toevallig altijd op vernieuwingen waarbij minder leraren nodig zijn, of waarbij het niveau van hun opleiding er niet toe doet, of waarbij hun rol dusdanig wordt beperkt dat een lagere inschaling gerechtvaardigd is. Bijvoorbeeld schaal 9 voor de docent van een hogeschool. Die wordt niet langer beschouwd als leraar maar als instructeur die een door leerstofontwikkelaars ontwikkelde cursus uitvent. De deskundigheid zit niet langer bij de leraar, maar een etage hoger.

Geen draagvlak, polarisatie tussen docenten en directie, en de marginalisering van het beroep van leraar. Het zijn deze ontwikkelingen waar ik me tegen keer; tegen onderwijsvernieuwing als melkkoe. Herhaaldelijk heb ik bepleit onderwijsinstellingen te verplichten de beschikbare gelden aan te wenden voor het geven van onderwijs. Een duidelijk omschreven, beperkt deel voor management, coördinatie en beheer. Ik vind het verheugend dat deze opvatting in politieke kringen steeds meer terrein wint. Wouter Bos heeft dat bepleit en laatst ook Mark Rutte. De vraag is wanneer het CDA gaat volgen.

lgm.prick@worldonline.nl

    • Leo Prick