Hongarije kan een Pinokkio-test gebruiken

Het is een oudere mevrouw die in het ziekenhuis tegenover de begraafplaats tweemaal per week mijn met een pin aan elkaar gezette schouder onder handen neemt. Ik lig op mijn rug op de behandeltafel, zij zit naast mij en vraagt: 'Heb je je oefeningen gedaan?' Ik moet een uur per dag mijn armen zwaaien als een kraanvogel die een paringsdans doet. Ze kijkt me streng aan, ze weet wat voor vlees ze in de kuip heeft. 'Ja', zeg ik zonder met mijn ogen te knipperen. Ze tipt met haar wijsvinger haar neus aan, glimlacht en zegt: 'Pinokkio-test'.

Haar grootvader was een Oostenrijkse soldaat die in de Eerste Wereldoorlog aan het Italiaanse front in de buurt van Triëst zij aan zij met Hongaren vocht. De Hongaren bevielen hem zo goed dat hij na de oorlog besloot naar Hongarije te verhuizen. Hij trouwde een Hongaarse, haar grootmoeder, die bij haar als klein meisje af en toe de Pinokkio-test deed. De grootmoeder zei dat ze de neus kon zien groeien.

's Ochtends voor de behandeling heb ik een lezing van de voormalige Nederlandse staatssecretaris Dzsingisz Gabor bijgewoond. Dzsingisz Gabor heeft als Nederlands diplomaat zes jaar in Boedapest gewoond en de Hongaarse cultuur en politiek van nabij gadegeslagen en over zijn ervaringen een boek in het Hongaars gepubliceerd. Lezingen en interviews gevend toert hij twee weken de hoofdstad rond.

Bij de lezing benadrukt Gabor de noodzaak de politieke tweedeling in het land op te heffen. Een van de aanwezigen windt zich op en zegt: 'Dat is onmogelijk. Ik zal nooit, nooit iemand als Horn (een voormalige belangrijke communist) de hand kunnen schudden. Maar dat begrijp jij als gevluchte Hongaar niet'.

De 200 à 300 duizend Hongaren die na de opstand van 1956 gevlucht zijn, wordt dit onderhuids verweten. Het wordt niet met zoveel woorden gezegd maar eigenlijk zijn het geen 'echte Hongaren' meer. In de ogen van de Hongaar die gebleven is, is iedere Hongaar die naar het Westen ging sowieso een miljonair geworden, en dat is geen kunst aangezien iedereen in het Westen een miljonair is. De Hongaar die bleef is heimelijk afgunstig op de materiële rijkdom van de gevluchte Hongaar en zet zijn spirituele superioriteit er tegenover. Troefkaart daarbij is: 'Jij kan dat niet begrijpen want jij hebt niet geleden als wij.'

Dzsingisz Gabor antwoordt: 'Ook wij hebben geleden. Mijn vader werd door de communisten jaren in de gevangenis vastgehouden, mijn broer werd op zestienjarige leeftijd doodgeschoten. Jullie mochten waarschijnlijk vanwege je afkomst niet studeren, ik werd zelfs niet toegelaten tot de middelbare school. Nadat wij naar Nederland gevlucht waren, was ons dagelijkse leven ook niet eenvoudig, mijn moeder werkte aan de lopende band in een koekjesfabriek in Ede.'

Soms denk ik dat de ware reden van de onuitgesproken afkeer van sommige Hongaren jegens de gevluchte Hongaar (en het Westen en de multinationals) de kleffe smaak is van het gecorrumpeerdheid zijn. De eigen zwakheid onder ogen te moeten zien vergeef je niemand. Het is niet makkelijk gedurende een periode van 45 jaar autoritair communistisch bewind de rug recht te houden. Op alle manieren afstand tot het systeem bewaren betekende een zekere weg naar de obscuriteit en armoede.

Hongarije heeft na de fluwelen revolutie van 1989 nooit een 'zuivering' gehouden, niet de criminele kanten van het voormalige regime onderzocht of archieven van de geheime dienst toegankelijk gemaakt. Terwijl er na de opstand van 1956 zo'n 300 mensen ter dood veroordeeld zijn, duizenden geestelijk en fysiek gemarteld, tienduizenden in concentratiekampen en gevangenissen gestopt en honderdduizenden de mogelijkheid van een maatschappelijke carrière, op een fatsoenlijk leven, is ontnomen.

De verantwoordelijke politici, de functionarissen, de ambtenaren, de geheime politie die in zwarte auto's de mensen van huis haalde, de rechters die doodvonnissen uitspraken, de beulen die de galg bedienden, de folteraars in de kelders van de AVO; ze waren allen Hongaars. Geen van hen is berecht of heeft zich hoeven verantwoorden voor zijn daden. Op gezette tijden wordt om politieke redenen en zonder consequenties een voormalige spion ontmaskerd.

De Hongaarse geheime dienst kende drie categoriën agenten: drie per een (III/I), drie per twee (III/II) en drie per drie (III/III), vernoemd naar de aanduiding die op hun dossier stond. De eerste groep bestond uit de officieren van de geheime dienst, de tweede groep uit de beroepsmatige agenten, de derde groep uit burgers die geworven waren om verslagen te schrijven over medeburgers, collega's, vrienden. Van de laatsten waren er tienduizenden, velen die zich met grote ijver van hun taak kweten, anderen die in de positie gechanteerd waren en probeerden zo onschuldig mogelijke verslagen te schrijven.

Zover er al consensus en compromissen bestaan in de Hongaarse politiek berusten die waarschijnlijk op chantage. Geen van de twee grote Hongaarse partijen (de socialistische MSZP en de centrumrechtse FIDESZ) heeft tot nu toe werk willen maken van het openstellen van de archieven. Zoals een kind een zak met snoep verstopt houdt om er af en toe voor de ogen van het publiek langzaam één uit de knisperende verpakking te wikkelen, houden de rivalen de lijst met spionnen en verraders achter de hand om van de politieke tegenstander dingen gedaan te krijgen of om hem publicitair uit te buiten.

Men dacht dat het wantrouwen en de haat wel zouden overgaan, maar ze gaan niet over. Vijftig jaar na de opstand van '56 is Hongarije een diep verdeeld land. Openheid en een kleine Pinokkio-test van de politieke elite zouden het land geen kwaad doen. Dzsingisz Gabor geeft met zijn boek een eerste aanzet. jaap@scholten.hu