Eeuwig zoemen de muggen

Welke leeslijstklassiekers hebben de 'literaire X-factor'? Een tweewekelijks rondje langs de eeuwige jachtvelden van de wereldfictie brengt Pieter Steinz bij Nooit meer slapen van W.F. Hermans

Er bestaan vele mooie portretten van Willem Frederik Hermans (1921-1995), maar één ervan is onvergetelijk: een foto genomen tijdens een reis door Lapland. De schrijver-fotograaf, begin veertig, kijkt ons aan met de doordringende blik die wij van de achterflap van zijn romans kennen; zijn gezicht is mager en groezelig, hij heeft een vakantiebaard, en op zijn hoofd zit een soort tulband met een muskietennet. Hij maakt de indruk nogal wat te hebben doorgemaakt.

De vleesgeworden ontbering, dat is de figuur op de foto; een perfecte illustratie van de roman waarvoor Hermans in 1961 onderzoek deed in Noorwegen: Nooit meer slapen. Het portret lijkt zelfs te worden beschreven als de hoofdpersoon, Alfred Issendorf, zichzelf verdwaald en hongerig in het spiegeltje van zijn kompas bekijkt: 'Wangen ingevallen onder de dunne baard [...] ogen wijd opengesperd, linker ooglid opgezwollen van de muggebeten, voorhoofd rechts bedekt met een brokkelige bloedkorst.'

Nooit meer slapen, misschien wel de beste roman uit het rijke oeuvre van Hermans, is allereerst een spannend reisverhaal. De ambitieuze geoloog Alfred Issendorf, die verder in de wetenschap wil komen dan zijn jong gestorven vader, onderneemt met drie Noren een expeditie naar het arctische Finnmarken om bewijzen te vinden voor de theorie dat de gaten daar in de bodem veroorzaakt zijn door meteorieten. Na een barre tocht, die eindigt met de dood van zijn enige vriend in het reisgezelschap, komt hij leeghandig terug in de bewoonde wereld - getekend door insektenbeten, slaapgebrek en vooral het besef dat zijn leven mislukt is.

'De mens is de eeuwig bedrogene van het universum', zegt een onderzoeker in een van de pessimistisch-filosofische passages van Nooit meer slapen. Dat geldt in ieder geval voor Alfred, die met de reis naar het Hoge Noorden hoopt zijn brandende ambitie te verwezenlijken ('meteoorkraters vinden, proefschrift schrijven, cum laude promoveren [...] professor worden'); maar die ironisch genoeg in het vliegtuig terug naar Nederland in een krant moet lezen dat een knal die hij aan het eind van zijn reis hoorde waarschijnlijk afkomstig was van een in zijn onderzoeksgebied ingeslagen meteoriet. Hardhandig wakker geschud uit zijn levensdroom (de titel van de roman is op vele manieren te interpreteren), komt Alfred thuis, waar hij van zijn moeder een even onverdiend als uniek cadeau krijgt. De laatste zinnen van de roman luiden: 'Hier zit ik, in elke hand een manchetknoop, aan elke manchetknoop een halve meteoriet. Samen een hele. Maar geen enkel bewijs voor de hypothese die ik bewijzen moest.'

Het belangrijkste thema van de als fysisch geograaf opgeleide Hermans was het vergeefse menselijk streven om orde te ontdekken in de chaotische werkelijkheid. Zijn personages belanden net als die van zijn favoriete schrijver Franz Kafka in situaties die ze niet aankunnen en zoeken vergeefs naar een identiteit; ze zijn overgeleverd aan 'moedwil en misverstand'. Ook Alfred, die aan het einde van Nooit meer slapen moet inzien dat je het leven, en vooral de natuur, niet naar je hand kunt zetten. Zijn verhaal is allesbehalve opwekkend, maar dat neemt niet weg dat je vrolijk kan worden van de droogkomische manier waarop Hermans het geploeter van zijn hoofdpersoon in Noorwegen beschrijft. Voeg daarbij dat Nooit meer slapen de lezer zelfs meesleept in geologische uitweidingen en je begrijpt waarom de roman geldt als een hoogtepunt van de naoorlogse Nederlandse literatuur.

    • Pieter Steinz