Een oneetbaar groen appeltje

Schrijver Maarten 't Hart gaat in een nieuwe tweewekelijkse rubriek op zoek naar plant en dier in heilige schriften. In de eerste aflevering stelt hij zich vragen over de verboden vrucht van Eva.

In het bijbelboek Genesis wordt niet gespecificeerd welke vrucht de boom van kennis van goed en kwaad droeg waar Adam en Eva niet van mochten proeven. Niettemin wist ik als peuter zeker welke versnapering het betrof: uiteraard de godsvrucht. Die vrucht bezongen wij in de psalmen en daarover werd steevast gezwijmeld in de predeking. Toen ik er uiteindelijk achter kwam dat het de godsvrucht niet geweest kon zijn, ben ik altijd gefascineerd gebleven door de vraag: welke vrucht dan wel? In zijn onlangs verschenen boek Oak gewaagt William Bryant Logan eveneens van 'our curiosity about the identity of the Tree of Good and Evil'. Hij somt de mogelijkheden op: oaks, junipers, pistachios, maples and wild pears. Toch kun je je moeilijk voorstellen dat Eva door een eikel verleid werd, noch door een pistachenootje. En een wilde peer, is dat denkbaar? We moeten natuurlijk voor ogen houden dat er in den beginne nog geen sprake was van rasveredeling, van enten, van fruitbomenteelt. Alle vruchten destijds waren wilde vruchten, dus van die akelig wrange, vrijwel oneetbare gifgroene appeltjes, of piepkleine, al even wrange, keiharde pruimpjes.

Heus, een sappige Schone van Boskoop kan er niet aan de boom van kennis van goed en kwaad gehangen hebben, noch zo'n verrukkelijke Conference-peer. Het was een en al armoe wat je toen aan vruchten had, des te merkwaardiger dus dat Eva zich door de slang heeft laten overhalen een hap te nemen.

Enfin, de overlevering wil dat de verboden vrucht zo'n wild, wrang appeltje was, dus daar zullen we het gemakshalve maar op houden.

Wat ook uiterst merkwaardig aandoet is het feit dat God wel verordineert: van die boom mag niet gegeten worden, maar niets zegt over de nogal griezelige juridische valkuilen die dit verbod met zich meebrengt. Vruchten rijpen, en vallen uiteindelijk op de grond. Mochten Adam en Eva ook niet van zo'n val-appeltje proeven? Dat lijkt logisch uit het verbod voort te vloeien. Maar mijn bokje neemt vaak genoeg een val-appeltje in de bek om het, daar het toch te groot blijkt om te behappen, verderop weer uit te spuwen. En dan ligt die vrucht onder een andere boom. Wat nu als Adam of Eva nietsvermoedend zo'n getransporteerd appeltje hadden genuttigd? Toch zondeval? Geenszins ondenkbaar is ook dat zij een geitenbokje geslacht zouden hebben met in zijn maag nog een vrijwel onverteerd boom-der-kennisappeltje. Een herkauwer slikt z'n voedsel onverteerd op om het later alsnog tussen z'n tanden fijn te malen. Verorber je een bokje met een onverteerd appeltje in z'n maag, dan snoep je wel degelijk van de boom van kennis van goed en kwaad. Was er ook dan sprake geweest van zondeval? Mij dunkt: enige verbodstoelichting was bepaald niet overbodig geweest.

Als Adam en Eva uit het paradijs zijn verdreven, posteert God een engel bij de ingang met een vlammend zwaard. Toen onze onderwijzer dat in 1953 vertelde, stak een mijner klasgenoten z'n vinger op en zei: 'Hoe kan dat nou, meester, het zwaard moest toen toch nog uitgevonden worden?' Waarop de meester, enigszins uit het veld geslagen door zo'n slimme vraag, na lang nadenken, aarzelend antwoordde dat dat zwaard uit de hemel afkomstig moest zijn geweest. Waarop ik, omdat ik ook slim uit de hoek wou komen, meteen riep: 'Maar in de hemel is het toch een en al vrede, daar ligt de leeuw toch naast het lam, daar heb je toch geen zwaarden nodig?' En Govert Gunst wou weten: 'Hadden ze toen in de hemel dan ook al pistolen, meester?' (Veel later heeft Govert Gunst mij toevertrouwd: 'Toen al heb ik vrij scherp beseft dat we vreselijk bezwendeld werden.')

Hoe het ook zij, heb je nog nimmer een zwaard gezien, of daar nimmer over gehoord, dan kun je onmogelijk bevroeden waar dat voor dient. Wat kan God derhalve met dat vlammende zwaard beoogd hebben? Hij had evengoed een engel met een uzi kunnen neerzetten of een busje pepperspray of een gummiknuppel. Ook daar zouden Adam en Eva niets van begrepen hebben.

Achteraf kun je je erover verbazen dat wij, leerlingen van de Dr. Abraham Kuyperschool, die sprekende slang uit het zondeval-verhaal voor zoete koek slikten, maar dankzij dat vlammende zwaard onze eerste twijfelschreden hebben gezet. Want wat onze onderwijzer Mollema ook naar voren bracht om aannemelijk te maken dat men in die vredige hemel reeds ruimschoots beschikte over gruwelijke wapens die op aarde nog uitgevonden moest worden, wij bleven ons daarover verwonderen. Uiteindelijk heeft Mollema hoofdonderwijzer Cordia erbij gehaald om ons tot bedaren te brengen. Zijn verlossende woord luidde dat het zwaard niet uit de hemel stamde, maar door God ter plekke werd geschapen. Met dat rietkluitje werden wij naar huis gestuurd.