'Alles in een vijfsterrenziekenhuis irriteert me'

Hij opereerde kapotgeschoten gezichten en verminkte ledematen, maar wordt misselijk van een gekneusde enkel van een hockeymeisje. Oorlogschirurg Ben Mak is een dolende ziel die alleen rust vindt in oorlogsgebied. 'Chirurgisch-technisch gezien woonde ik in het paradijs.'

Operatiekamer in Lokichokio in Kenia Foto Ben Mak Mak, Ben

Op het zwarte naamplaatje van het rijtjeshuis in Zaandam staat nog wel: B. Mak. En binnen, in de woonkamer, hangen nog wel twee aquarellen die hij in Afghanistan heeft geschilderd. Maar hij voelt zich niet meer thuis in wat hij 'het huis van mijn echtgenote' noemt. Onwennig, onhandig, beweegt hij zich in een omgeving die hem ooit vertrouwd was. Hij is blij dat hij overmorgen weer naar Congo mag.

De 56-jarige Ben Mak is een van de acht artsen in de wereld die zich oorlogschirurg mogen noemen. Dertien jaar lang heeft hij in oorlogsgebied gewerkt, eerst vijf weken per jaar, daarna drie maanden per jaar, uiteindelijk fulltime. Hij heeft Mullah Omar de hand geschud, leider van de Talibaan, tweede op de Amerikaanse lijst van meest gezochte terroristen, achter Osama bin Laden. Hij heeft de Liberiaanse oud-president Charles Taylor op bezoek gehad, die voor oorlogsmisdaden in Den Haag moet terechtstaan. 'Ik heb mijn ziel en zaligheid verkocht om dit leven te kunnen leiden.' Een bestaan dat bezit van hem heeft genomen. Zijn grootste geluk en zijn grootste kruis.

Vier jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog werd hij in Schiedam geboren als de jongste van drie zonen in een 'benauwd calvinistisch gezin'. Zijn vader was 'een labiele, kleine, dictatoriale man' die hechtte aan gebaande paden en zoals het hoorde. Zijn moeder was 'een rots in de branding', fysiek en mentaal.

Thuis hadden ze het vaak over de oorlog. Zijn ouders waren getrouwd in de oorlog. Hun oudste zoon was de dag voor D-Day geboren. In de hongerwinter hadden ze eten voor elkaar gestolen. Ze waren met de kinderwagen naar Oegstgeest gelopen om voedsel te vinden voor de baby. Die verhalen hebben diepe indruk op hem gemaakt.

Hij was een buitenbeentje. Een zachtgekookt eitje. 'Onevenwichtig en emotioneel.' Op vakantie moest hij huilen omdat de mensen in Spanje zo arm waren. Hij wilde in het voetspoor treden van de beroemde Duitse zendingsarts Albert Schweitzer die in het Afrikaanse Gabon een ziekenhuis had gesticht. Als hij zijn ouderlijk huis maar kon ontvluchten. Daar was geen plaats voor een 'rusteloze, avontuurlijke geest'.

Na een moeizame start kwam hij in de tredmolen van de studie medicijnen. Zijn verdere leven lag vast. Mak trouwde. Hij kreeg kinderen. Zijn verlangen om als scheepsarts te reizen begroef hij. Hij specialiseerde zich als chirurg.

Mak scheidde. Hertrouwde. Werd opnieuw vader. Intussen werkte hij in een middelgroot ziekenhuis in Zaandam. Hij probeerde de top van zijn vak te halen. Van het opereren genoot hij. Maar een jarenlange fusiestrijd tussen twee maatschappen van chirurgen holde hem uit.

Hij deed zijn best om te leven als andere chirurgen. Rotary, golfclub, Mercedes, hij heeft het allemaal geprobeerd. Hij speelde het spel mee, maar het was niet zijn wereld. Hij herkende zich niet in het bestaan dat hij leidde. Zijn afkeer groeide. Hij walgde van zichzelf. Over de veertig was hij en hij zat op dood spoor.

Zijn verlossing kwam op een congres voor knoopsgat-chirurgie eind 1991 in Luik. Een collega wees hem op het Rode Kruis dat chirurgen zocht voor missies in oorlogsgebied. Van opwinding kon hij de hele nacht niet slapen. Dit was zijn kans op een nieuw bestaan. Of in elk geval een mogelijkheid om zijn leven dragelijk te maken. Hoe moest hij het vertellen aan zijn vrouw?

Zijn eerste missie voerde hem naar Pakistan, langs de grens met Afghanistan. Niets had hem voorbereid op wat hij daar kreeg te zien. Afghaanse oorlogsslachtoffers werden in de laadbak van een pick-up gestapeld en honderd, tweehonderd kilometer over slechte wegen naar het ziekenhuis van het Rode Kruis vervoerd. Zijn eerste patiënt had brandwonden aan veertig procent van het huidoppervlak. De tweede patiënt had op een landmijn gestaan. Zijn linkeronderbeen was voor tweederde verdwenen. Stinkende lappen vlees hingen vanaf zijn knie omlaag. Zijn rechtervoorvoet was verdwenen. Diepe gaten in de rest van zijn been waren met modder gevuld. Mak beschrijft dat in het boek dat hij over zijn missies geschreven heeft: 'Chirurg in oorlogsgebied'.

Komend van een vijfsterrenziekenhuis, volgestouwd met hightech apparatuur, vroeg hij zich af of hij in dat eenvoudige hospitaal met elementaire voorzieningen zijn werk wel goed kon doen. Hij ontdekte dat hij met verschillende malen opereren wonderbaarlijk goede resultaten kon behalen. De patiënt van de landmijn kon uiteindelijk weer terug naar het front, met een prothese en een aangepaste schoen. 'Chirurgisch-technisch gezien', schrijft Mak, 'woonde ik vijf weken in het paradijs.'

Hij wordt lyrisch als hij over de oorlogschirurgie vertelt. 'Er zijn geen grenzen aan de creativiteit. Je doet operaties die in geen boek staan beschreven. Je opereert longen, vaten, botten, maar je bedrijft ook gynaecologie, ook urologie en cosmetische chirurgie. Je bent totaal-chirurg. Je kunt niet verwijzen. Er ontstaat geen routine. Elke kogel gaat op een andere manier door het lichaam heen.'

Hij voelt zich bevoorrecht. Geen chirurg in Nederland die zoveel, zo uiteenlopende ingrepen heeft mogen doen. Hij heeft mensen met een kapotgeschoten hoofd weer een gezicht gegeven. Hij heeft een man in Sierra Leone van een scrotum van 24 kilo verlost. Jonge chirurgen zouden het niet eens meer kunnen. Hij noemt ze 'orgaandokters', 'specialist op de nier'.

De acute chirurgie is hem op het lijf geschreven. Snel handelen. Direct ingrijpen. Alles is winst. Hij functioneert nu eenmaal het beste onder spanning. Dan voelt hij zich 'super'. Bij een geklapt bloedvat moet binnen drie minuten de klem erop. Anders is de patiënt overleden. Dan werkt hij op de toppen van zijn kunnen. 'Het is een soort doping. Je voelt dat je leeft.'

Na de euforie van de eerste missie kwam de terugkeer hard aan. Van Schiphol op weg naar huis belandde hij in een file. Voor hem stond een dierenambulance. Hij moest denken aan het transport van de Afghaanse oorlogsgewonden in de pick-up. Plotseling kon hij het niet meer bevatten. Hier werden dieren als individuen behandeld. Waar hij vandaan kwam, werden mensen als beesten vervoerd.

Een weekendje met zijn vrouw in het Amsterdamse Amstel Hotel werd een fiasco. Hij schaamde zich voor de luxe. Hij kreeg geen hap door zijn keel. De volgende ochtend ontvluchtten ze het lustoord. 'Ik vlucht mijn hele leven.' Het heeft lang geduurd voordat hij weer kon eten in een behoorlijk restaurant.

In Nederland voelde hij zich na elke missie meer misplaatst. Hij kwam net terug uit Rwanda na de genocide, waar hij 250 zwaargewonde Hutu-vluchtelingen had behandeld. De eerste twee patiënten die hij had ontslagen, had hij de volgende dag vermoord in de struiken gevonden. Hij had ze zelf begraven. De overgang naar zijn eerste Nederlandse patiënte was daarna te groot. Een hockeymeisje met een gekneusde enkel. Haar moeder had erop gestaan dat een chirurg zou kijken naar de voet.

In Nederland stuitte hij op een wildgroei van 'overbehandeling', terwijl kinderen elders stierven door gebrek aan zorg. Dat een 86-jarige patiënt met arteriële bloeding nog een spoedoperatie krijgt met intensive care-behandeling om onvermijdelijk weken later toch te sterven, vindt hij weerzinwekkend. 'Zoveel chirurgie die hier bedreven wordt, is zinloos.' Wegspuiten van rimpels maakt hem 'misselijk'.

Zijn vakanties gebruikte hij om in landen als Afghanistan en Congo zeven dagen per week 'het werk te doen waarvoor de chirurgie bedoeld is: lijden verminderen'. De rest van het jaar stond hij in Zaandam twee dagen per week liesbreuken te opereren. Als chirurg werd hij verondersteld nog eens twee dagen in de week met overleg in commissies te vullen. Geld, politiek, beleid, al die onderwerpen waar zijn collega's vol van waren, ze konden hem niet meer boeien. Hij leefde alleen nog voor de telefoontjes van het Rode Kruis. 'Als er vrijdagmiddag om vier uur nog niet was gebeld, was het weer een verloren week.'

Hij wist dat het aan hem lag. De meerderheid is de norm. Hij week af. Op zijn oorlogsverhalen zat niemand te wachten. Te ver, te vreemd. Hier hadden mensen hun eigen verhaal.

Hij sloot zich op. Hij sloot zich af. Om zichzelf te beschermen. Om zich niet helemaal buiten de samenleving te plaatsen. Hij raakte steeds vermoeider. Hij werd steeds onverschilliger. Uiteindelijk kon hij de waarheid niet ontkennen. 'Ik moest uit dit leven. Ik had geen keuze. Ik paste niet meer in deze maatschappij.'

In 1997 bood het Rode Kruis hem de kans om fulltime oorlogschirurg te worden. Per 1 januari 1998 heeft hij zijn Nederlandse praktijk verkocht.

Waarom doe ik dit? Dat heeft hij zich al die jaren steeds weer afgevraagd. Als hij met diarree in een smerig kamertje in Kabul lag en de raketten hoorde inslaan. Als zijn vliegtuig bijna neerstortte in Soedan. Als hij in Rwanda een mes op zijn keel kreeg. Waarom verkies ik dit leven, onder vaak erbarmelijke omstandigheden, met gevaar voor eigen leven, ver van mijn gezin?

Hij heeft de vreselijkste verminkingen gezien, de mensonterendste taferelen. Sommige van die beelden trekken 's nachts in een film aan hem voorbij. Hij kan daar best mee leven. Waar hij nooit aan zal wennen is aan kinderen die kreperen. 'Kinderen mogen niet lijden. Daar word ik ziek van. Mensen moeten keuzes kunnen maken in het leven. Als een kind de keuzemogelijkheid wordt ontnomen, is de rechtvaardigheid zoek.'

Behandelen van kinderen, daar heeft hij moeite mee. Zoals bij de drie Afghaanse kinderen die speelden met een olievat en op een landmijn belandden. Vijf beentjes heeft hij afgezet. Dan gaat hij naar bed en hoeft hij niemand meer te zien. Hij heeft zich niet meer volledig in de hand.

Als hij in bed ligt en in zijn hoofd de films terugkijkt van wat hij beleefd heeft, kan hij ook gruwelijk genieten. Omdat hij in een volkomen andere wereld iets betekend heeft. Nederland heeft 700 chirurgen. Als hij weg is, merkt niemand daar wat van.

Hij is geen ander mens op missie. Zijn motivatie is wel twintig keer zo groot. Hij voelt zich beter. Hij slaapt beter. Hij kan 'beter de bocht om' met zichzelf.

Als hij morgen doodgaat, hoeft hij geen spijt te hebben. Hij heeft zijn droom nagejaagd. Maar laat niemand zeggen dat hij prachtig werk heeft gedaan. Hij heeft zijn gezin in de steek gelaten. Hij is een 'absoluut falende vader'. Hij is een grote egoïst. Zijn gezin moet boeten voor het leven dat hij leidt.

Het 'boekje' dat hij maakte over zijn missies, schreef hij in de eerste plaats voor zijn vrouw en zijn twee dochters. 'Verbaal' had hij zijn verhaal thuis 'niet over de toonbank gekregen'. In familiekring sprak hij niet over zijn verscheurdheid. Hij zweeg over het immense schuldgevoel dat hem bedrukt.

Hij heeft het boek opgedragen aan Anneke, zijn vrouw, een 'meerpaal' waarbij het veilig aanleggen is. Ze heeft hem alle ruimte geboden. Zij heeft hem altijd in zijn keuzes gesteund. Ze heeft hem alles gegeven, zonder hem ooit de rekening te presenteren. Ook al vroegen haar kinderen: 'Mama, waarom blijf je bij die man?'

In het nawoord biedt hij zijn kinderen 'excuus aan, die door dit werk een vader thuis moesten ontberen'. Als hij 'in een doosje ligt', staat zijn boek nog altijd bij hen in kast. Ze kunnen lezen dat hij wel degelijk beseft heeft wat hij hun heeft aangedaan.

Drie jaar geleden zette het Rode Kruis hem plotseling aan de kant. Misschien omdat de organisatie hem te lastig vond, ook al werd hij als medicus en manager bewierookt. Hij had zijn ogen niet kunnen sluiten voor de bureaucratie en het politieke spel van het Rode Kruis. Het Rode Kruis is niet echt in oorlogschirurgie geïnteresseerd. Kwaliteit is niet echt een belangrijk oogmerk. Het opzetten van een oorlogschirurgisch ziekenhuis dient alleen als goedkope binnenkomer. Zodat het Rode Kruis zijn eigenlijke werk kan doen: de Geneefse Conventie controleren, gevangenissen bezoeken. En als die medische hulp door corruptie wordt ondermijnd, dekt het Rode Kruis dat bij voorkeur toe. Zijn initiatieven om daaraan een einde te maken, werden nooit op prijs gesteld.

Hij voelde zich uit het paradijs verdreven. Bijna twee jaar heeft hij nog voor een Italiaanse organisatie in Afghanistan gewerkt. Tot hij maandenlang op een volgend contract moest wachten en gedwongen werd zijn spaargeld aan te spreken. Zijn vrouw heeft nog aangeboden haar huis te verkopen. Dat kon hij haar niet aandoen. 'Ze is toch ooit getrouwd met een chirurg en het verwachtingspatroon dat daarbij hoort. Zo egocentrisch ben ik ook weer niet.'

Hij draait alweer een jaar productie in een ziekenhuis in Somerset in Engeland. Alleen voor het geld. Hij doet 900 operaties per jaar, drie keer het Nederlandse gemiddelde voor een chirurg. Hij werkt de wachtlijsten weg voor Tony Blair.

In Nederland wilde hij niet werken. Van Nederland had hij afscheid genomen. Hij moest er niet aan denken door zijn vrouw weer te worden meegesleurd in het sociaal verkeer en vergaderingen van chirurgen te moeten bezoeken.

In Engeland kan hij zich terugtrekken in de eenzaamheid die hij heeft leren waarderen. Hij staat altijd op het punt om te vertrekken. Hij is een buitenstaander. Hij wil niet meedoen in de maatschappij.

Zijn vrouw heeft hij beloofd dit vijf jaar vol te houden. Hun dochters moeten kunnen studeren. Hij pot voor hun oude dag. Of hij het redt? Hij is er bang voor. De ultramoderne apparatuur op zwevende zuilen, waarmee hij werkt. De flatscreen-tv's in de kamers van de patiënten. Het irriteert hem: alles wat hij ziet.

Hij kijkt ernaar uit de komende drie weken tijdens zijn vakantie vrouwen met een obstretische fistel te opereren voor Artsen zonder Grenzen in Congo-Brazzaville. Hij kan 'zijn batterij opladen'. Hij voelt zich weer even chirurg.

Tegen de terugkeer ziet hij bij voorbaat huizenhoog op. Hij moet in Engeland toch weer zien te functioneren. Hij moet toch weer aan 'de sociale babbel tussen de operaties meedoen'. Hij wil geen zonderling zijn. Hij moet volhouden. Het blijft 'schipperen naar het einde'.

Hij hoopt op een 'toegift'. In 'reservetijd'. Als hij straks zijn handen vrij heeft. Als hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Misschien krijgt hij nog een kans om in Afrika een klein ziekenhuis te runnen en chirurgen op te leiden. Die droom houdt hem op de been. Anders zou hij toch wel zielig eindigen.

Aan zijn oude dag durft hij niet te denken. Dat benauwt hem. Hij voorziet 'een immens probleem'. In Afrika kan hij niet sterven. In Nederland kan hij niet leven. Hij bidt dat hij aan de operatietafel overlijdt. Chirurg in oorlogsgebied, Ben Mak, 14,50, uitgeverij Elmar.

    • Dick Wittenberg