Wie het laatst lacht

Aan de vooravond van de 20ste editie van de Libris Literatuur Prijs moet met één traditie gebroken worden: het mopperen op de jury. Maar dat wil niet zeggen dat alle zes genomineerde romans de 50 duizend euro verdienen.

Michael Frijda Foto Hugo Keizer Michael Frijda weinig opgemerkte verhalenbundel Schrikdieren schreef, haalde de genomineerden met zijn romandebuut Ritselingen (Podium, 246 blz. 19,50 euro), een modern sprookje met absurdistische trekjes. Foto Hugo Keizer Keizer, Hugo

De plechtige hoogmis van het Hollandse literaire leven. Zo mag je de uitreiking van de Libris Literatuur Prijs wel noemen. Eén keer per jaar verzamelt zich op een stemmige locatie een congregatie van boekenbonzen, recensenten, juryleden en schrijvers - om plengoffers te brengen aan het boek der boeken van het voorafgaande jaar. Vele romans zijn door de jury genoemd - eerst op een longlist van circa twintig titels, daarna op een shortlist van zes - maar slechts één wordt verkozen. De auteur van het winnende boek verlaat het diner met de zegen van de jury (50 duizend euro) en een zeker verkoopsucces in het verschiet.

Het heilig avondmaal van de Nederlandse literatuur is omgeven met rituelen, waarvan het traditionele “Librisstuk' in de literaire bijlagen voorafgaand aan de uitreiking er één is. Maar veel belangrijker is het rumoer. Zoals James English beweert in zijn studie The Economy of Prestige (besproken in Boeken 31.03.06), is niets zo heilzaam voor de status van een prijs als een flinke controverse. De organisatie van de Librisprijs heeft niet te klagen. Twee jaar geleden lag de naam van de winnaar - dankzij een slimme internetwatcher - al op straat toen de gasten in het Amstel Hotel nog aan hun hoofdgerecht moesten beginnen. In 2001 was de shortlist volgens boze tongen grotendeels gerecruteerd uit de zuid-Amsterdamse vriendenkring van twee van de juryleden (“De Postcode Literatuurprijs' kopte Vrij Nederland niet ongeestig). En in 1999 ging de toenmalige honderdduizend gulden naar De procedure, een roman van Harry Mulisch die door een van de juryleden in een recensie was gekraakt als clichématig en af en toe “beschamend slecht geschreven'.

Verbazing over een verrassende winnaar behoort ook tot de rituelen van de Librisprijs. Willem Jan Otten, sinds een maand onze beste levende katholieke schrijver, was er zo een; zijn roman Specht en zoon versloeg vorig jaar de gedoodverfde winnaar Casino van Marja Brouwers. Abdelkader Benali versloeg Oek de Jong in 2003. Robert Anker versloeg Harry Mulisch en Margriet de Moor in 2002. Marcel Möring versloeg Harry Mulisch en Hella Haasse in 1993. En Brigitte Raskin (niemand kende haar, wie kent haar nog?) versloeg Bernlef, Kousbroek en De Moor in 1989. De lijst van surprise decisions is terug te voeren tot 1987, toen de prijs - onder de naam AKO Literatuurprijs - níet terecht kwam bij Mystiek lichaam van Frans Kellendonk maar bij Publiek geheim van de latere Librislonglistabonné Bernlef.

Dit jaar wordt de grote lenteprijs voor de twintigste keer uitgereikt; en met één vast ritueel moet in elk geval worden gebroken: het mopperen op de jury. Anders dan bij vele voorgaande edities heeft de jury geen enorme bokken geschoten - of het moest zijn dat ze zich zó keurig aan de regeltjes van het Librisbestuur heeft gehouden dat ze het enthousiast besproken Ultramarijn van de in november overleden Henk van Woerden buiten mededinging plaatsten.

De twee andere spraakmakende Nederlandse boeken van 2006, Jan Siebelinks Knielen op een bed violen en Tommy Wieringa's Joe Speedboot, staan op de shortlist, net als de opvallendste Vlaamse roman, De engelenmaker van Stefan Brijs. Voor het niet bepaald hemelbestormende Waar was je nou van K. Schippers en het aangenaam aardse De ontelbaren van Elvis Peeters hoeft de jury zich niet te schamen. En de vreemde keuze voor Michael Frijda's Ritselingen, een weinig geslaagde combinatie van sprookje en familieroman, is vergeeflijk. Het is nu eenmaal traditie dat er op de Librislijst ten minste één krankjorum boek staat dat voor spek en bonen lijkt mee te doen.

Toegegeven, je zou de laatste drie titels kunnen zien als resultaten van compromissen, iets wat niet ondenkbeeldig is in een vijfkoppige jury. Voor hetzelfde geld waren dat de enthousiast onthaalde verhalenbundels van Sanneke van Hassel (IJsregen) en Vincent Overeem (Novembermeisjes) geweest, twee auteurs die vorige week terechtkwamen op de Magazijn-toptien van beste jonge schrijvers van 2005. Ook niet misstaan hadden de laatste romans van drie oudgedienden: Ronald Gipharts Troost, een even geestig als misselijk makend verslag van de ontluistering van een topkok; Tomas Lieskes Mijn souvereine liefde, een ontroerende historische novelle over een hoveling van Filips II; en het pikzwarte familieverhaal Moord van Doeschka Meijsing, dat jammer genoeg voor haar in één band zat met een onevenwichtige roman van haar broer Geerten.

Volgens het juryrapport, dat met de shortlist de wereld in werd gestuurd, was het “een aanbeveling wanneer boeken zowel een maatschappelijke lading hebben als een literair avontuur behelzen' en wanneer “ze verbeeldingskracht verraden en verontrusting teweegbrengen.' Dat zijn deugdelijke criteria, hoewel niet zaligmakend. Maar goedbeschouwd beantwoorden slechts twee van de zes boeken aan deze eisen. Brijs' De engelenmaker, het verhaal van een ambitieuze geneticus in een klein grensdorp, is niet alleen vlot geschreven en origineel van compositie, maar roept bovendien vragen op over de wenselijkheid van kloonexperimenten en de dunne lijn tussen goed en kwaad. De ontelbaren, een maatschappijroman waarin een Vlaams dorp (net als de rest van Noord-Europa) ontwricht raakt door een vloedgolf van economische vluchtelingen, is bij vlagen meeslepend en behoorlijk verontrustend. Alleen al de zin die een van de sympathieke burgermannen halverwege het boek uitspreekt - “een ellende, dat is het voor ons, voor hen, maar voor hen is het gewoon, wij moeten het leren' - zindert lang na. Je volgt Elvis Peeters werkelijk in zijn gedachtenexperiment: wat zou er gebeuren als er zoveel vluchtelingen naar het Westen komen dat ze niet meer buiten de deur te houden zijn?

Overigens zouden we Jan Siebelink onrecht doen wanneer we Knielen op een bed violen een “maatschappelijke lading' ontzeggen. Het succes van de roman (300 duizend verkochte exemplaren en de AKO-prijs 2005) bewijst dat de familiesaga over de godsdienstwaanzinnige Hans Sievez een snaar geraakt heeft; velen herkennen zich in het verstikkend beschreven vader-en-zoonconflict, in het spaak lopende huwelijk van Hans en Margje, en in de verleidingen van het fanatieke christendom. De door de Libris-jury zo gewaardeerde verontrusting brengt Knielen op een bed violen zeker teweeg, maar literair avontuurlijk kun je het niet noemen. De roman heeft veel weg van eerdere autobiografische verhalen en romans van Siebelink, en het is dan ook raadselachtig dat juist deze vertelling uit zijn rijke oeuvre zo'n succès fou is geworden.

De overige drie romans op de Librislijst onttrekken zich grotendeels aan de criteria van de jury. Wieringa's Joe Speedboot is veel - een wervelende ontwikkelingsroman, een fantasierijk beeld van een katholiek dorp aan de rivier, een onconventioneel liefdesverhaal, en ja: een literair avontuur - maar maatschappelijk geladen is het niet. Schippers' Waar was je nou is een eigenzinnig gestileerd portret van een man die via foto's uit zijn jeugd terugreist naar zijn verleden; het is losgezongen van deze tijd, en eerder kabbelend dan avontuurlijk. Frijda's Ritselingen, ten slotte, vertelt het verhaal van een houthakker en zijn zoontje die leven in de schaduw van een (niet nader gespecificeerd) oorlogsverleden. Het is een modern sprookje, dat zich afspeelt in een tijd waarin mensen wel vliegtuigen hebben maar geen kettingzagen, en dat de lezer die op zoek is naar verbeeldingskracht of maatschappelijke lading het bos instuurt.

“Uiteindelijk moet een boek op eigen kracht overtuigen en schept ieder meesterwerk zijn eigen regels,' schrijft de Libris-jury in haar rapport bij de nominaties. Dat is een waarheid als een koe en tegelijkertijd een zwaktebod, omdat zo met een brede zwaai alle eerder geformuleerde criteria van tafel geveegd worden. Laat mij er dan maar een paar naast stellen, samen te vatten als de drie s-en: stilistische kracht, een strakke compositie en een spannend verhaal. Geen overbodige eisen bij het lezen van de 1840 bladzijden die het stapeltje Libris-boeken telt; en bovendien een pakket dat drie van de genomineerde boeken voor de eindoverwinning uitschakelt: Ritselingen omdat het nergens naar toe gaat en je na een bladzijde of zestig het idee krijgt “Waarom zit ik dit te lezen?' Waar was je nou omdat het met z'n precieuze, elliptische stijl en zijn weinig uitgewerkte verhaaltje weinig indruk achterlaat; en De ontelbaren omdat het onevenwichtig is van compositie: het lange middengedeelte, waarin de langzame invasie van het Vlaamse dorp wordt beschreven, is ijzersterk, maar zowel het eerste als het laatste deel, waarin een van de vluchtelingen zijn verhaal doet, hangt er een beetje bij.

Het beste verhaal van 2005 is ongetwijfeld De engelenmaker. Stefan Brijs koos als hoofdpersoon een een mismaakte, aan een vorm van autisme lijdende jongen die een verschrikkelijke jeugd doorbrengt op een nonnenschool. Als student medicijnen besluit deze Victor Hoppe om “God het nakijken te geven' door te experimenteren met klonen - we schrijven begin jaren tachtig. Hoppes verleden wordt in flashbacks verteld; in hoofdstuk 1 strijkt hij met drie sprekend op hem lijkende jongetjes (rood haar en een hazenlip) neer in het dorpje van zijn jeugd. Brijs beschrijft de verbaasde en argwanende reacties van de dorpelingen, de pogingen van een huishoudster om de drie ziekelijke jongens een goede opvoeding te geven, en uiteindelijk de ondergang van de dokter en zijn gezin. De slotpassage van de roman is niet voor zwakke magen, Brijs blaast met zijn mengeling van Blauwbaard- en wolvenkindmotieven de gothic novel nieuw leven in, en op geen enkel moment kom je als lezer in de verleiding om de roman weg te leggen. Daar draagt Brijs' vlotte, 19de-eeuws aandoende verteltoon zeer aan bij.

Een goed verhaal, goed verteld. Dat is iets wat je ook kan zeggen van Joe Speedboot van Tommy Wieringa, waarin eveneens een hoofdrol is weggelegd voor een gehandicapte dorpsjongen. De verlamde Fransje Hermans beschrijft zijn relatie met de uitvinder-in-de-dop Joe Speedboot, die zijn vriendjes verlost van de saaiheid die het dorpsleven aankleeft en theorieën verkondigt “die met hun voeten in de werkelijkheid stonden en met hun hoofd in de wolken staken'. Het zijn Joe's plannen en expedities die vaart geven aan het verhaal, maar het is de driehoeksverhouding tussen Fransje, Joe en een andere buitenstaander, het Zuid-Afrikaanse meisje PJ, die de roman draagt. Joe Speedboot is een roman over liefde en verraad, vol geloofwaardige excentrieke karakters die aan het beste werk van John Irving doen denken. Het is ook een boek waarin de schrijver bewijst dat hij goed maat kan houden (waar vind je dat nog, een geslaagde ontwikkelingsroman van iets meer dan 300 bladzijden?) en dat hij geen moeite heeft met het verdichten dat nodig is om een groot aantal in elkaar grijpende levens te comprimeren.

Die laatste twee kwaliteiten heeft Wieringa voor op Siebelink, die erg veel bladzijden nodig heeft om zijn verhaal te vertellen en die zijn originele variatie op de overspelroman (met het geloof als bedreigende minnares) laat voorafgaan door een te lang eerste deel, over de jeugd van Hans Sievez. Half a million Siebelink fans can't be wrong, maar voor mij had het een onsje minder mogen zijn - ook al omdat de plechtstatige, staccato stijl van Siebelink in sommige passages iets mechanisch krijgt. Daar komt bij dat Knielen op een bed violen een bloedserieus boek is. Voor comic relief in een verhaal over de verstikkende kanten van de religie moet je niet bij Siebelink zijn. Hij mist het vermogen van Jan Wolkers, Maarten 't Hart of Maarten Biesheuvel om de uitwassen van het geloof der vaderen te relativeren.

Bij de dood van Gerard Reve schreef Arnold Heumakers in deze krant dat de grootste invloed van Reve op de Nederlandse literatuur in zijn humor zit, “in het idee dat literatuur humor moet hebben, zonder daardoor aan ernst in te boeten'. Voor Libris-jury's is humor nooit een belangrijk criterium; slechts twee grappige boeken (De langverwachte van Abdelkader Benali en Plankton van J.J. Voskuil) werden in de afgelopen decennia bekroond; en ook de jury van dit jaar zette maar één boek op de shortlist waarom ook te lachen valt: Joe Speedboot. Veel meer dan Brijs, die alleen in het eerste deel van De engelenmaker een lichte toon koos om zijn zware verhaal te vertellen, durft Wieringa het in essentie tragische verhaal van Fransje Hermans te doorspekken met geestige metaforen, uitspraken en situaties. De verleiding is groot om daar uitgebreid uit te citeren, maar dat is genoeg gedaan in de enthousiaste recensies van een jaar geleden. Bij herlezing van Joe Speedboot blijkt bovendien hoe succesvol Wieringa is als schrijver van memorabele zinnen - een kwaliteit die bij uitstek reviaans is (zoals eens te meer bleek uit de serie “De mooiste zinnen van Gerard Reve', die de afgelopen weken in deze bijlage heeft gestaan).

Op 8 mei is het precies een maand geleden dat Gerard Reve het tijdelijke met het eeuwige verwisselde. Alleen al als postuum eerbetoon aan de volksschrijver zou het mooi zijn als de Libris Literatuur Prijs 2006 aanstaande maandag zou worden toegekend aan het grappigste boek, met de mooiste zinnen; als van de drie ontroerendste verhalen op de Librislijst Joe Speedboot van Tommy Wieringa zou worden verkozen. Het zou een beslissing zijn waarop in elk geval Reves zegen rust.

    • Pieter Steinz