Voordat de wilden kwamen

Indianen waren géén natuurmensen die ronddartelden in een lege wereld, zo blijkt uit een indrukwekkend nieuw boek over Amerika vóór Columbus. Hun continent was niet barbaars - maar ook geen aards paradijs.

Misschien was het de bijbelse vorming van de kolonisten die voor het eerst voet aan wal zetten aan de oostkust van Amerika, of op een Caraïbisch eiland, want al gauw vatte het idee post dat ze pioniers waren in een woeste, lege wereld, waar halfnaakte wilden ronddartelden in harmonie met een overweldigende, maagdelijke natuur. Dit cliché van een onontgonnen Amerika, vanaf de 19de eeuw gerecycled in de populaire cultuur, wordt nog steeds gebruikt voor een sentimentele verheerlijking van de nobele wilde, dan wel als rechtvaardiging van hun noodzakelijke onderwerping aan de beschaving - in feite twee kanten van dezelfde medaille.

Maar het is een romantische misvatting, vermengd met een koloniale leugen. Amerika was in de 15de eeuw geen tuin vol hele of halve wilden, maar een bewoond en bewerkt continent met enerzijds (vooral ten noorden van de Rio Grande) vissers, jagers en verzamelaars, en in het zuiden hoogontwikkelde beschavingen die zich konden meten met die van het toenmalige Europa. Niet alleen voortschrijdend inzicht en nieuwe vondsten, maar ook het indiaanse activisme van de jaren zestig stimuleerden historici, archeologen en anderen om de blik te laten kantelen naar de indiaanse geschiedenis van het continent.

De Amerikaanse wetenschapsjournalist Charles C. Mann verbaasde zich erover dat die nieuwe inzichten en ideeën niet waren bijeengebracht in een monografie voor een breed publiek, dat immers nog altijd een grote belangstelling heeft voor indiaans Amerika. Met 1491, een magnifiek boek dat in een mooie en verzorgde Nederlandse vertaling is verschenen, heeft hij nu zelf in die behoefte voorzien. Het meest recente boek dat in de buurt komt, is Colin Calloways One Vast Winter Count (besproken in Boeken, 18-06-04), waarin alleen het westelijke deel van de Verenigde Staten wordt behandeld. Mann pakt het breder aan, en niet chronologisch. In thematische hoofdstukken springt hij dwars door de eeuwen, van de Azteken naar de Yanomamö, en van theorieën over de oudste paleo-indianen naar de jongste archeologische vondsten.

Pokken

Behalve een onthullend portret van precolumbiaans Amerika, is 1491 ook een geslaagd voorbeeld van nieuwe geschiedschrijving, die inzichten uit de archeologie, antropologie en geologie met elkaar verbindt. Dat genre is gevestigd door auteurs als vader en zoon McNeill (The Human Web) en Jared Diamond (Guns, germs and steel, dat bij Mann op zijn nachtkastje lag), en gepopulariseerd door Bill Bryson (A Short History of Nearly Everything), die de complete geschiedenis van de planeet aarde voor zijn rekening neemt. Het is mondiale geschiedschrijving die de nadruk legt op vaak langdurige processen en ontwikkelingen, ook van niet-menselijke aard.

Mensen zijn in Manns boek soms zelfs opmerkelijk afwezig - en dat is ook op een wrange manier wel gepast, gezien de ijzingwekkend hoge sterfte door ziekte (vooral pokken) onder de indiaanse bevolking na de komst van de Europeanen. De indiaanse bevolking was daartegen niet resistent, volgens biologen door hun afstamming uit een kleinere gene pool. Mann maakt overigens ook duidelijk, dat epidemieën al vóór de komst van de Europeanen de indiaanse bevolking teisterden - een argument tegen de mythe van een precolumbiaanse idylle. Historici gaan ervan uit dat de gemiddelde levensverwachting in pre-columbiaans Amerika niet hoger was dan in toenmalig Europa.

Manns boek draait om drie inzichten die het beeld van een maagdelijk continent op losse schroeven hebben gezet. Het eerste luidt: ze waren met meer. Schattingen van demografen en statistici hebben afgerekend met het stereotiepe beeld van een “leeg' continent. Nog tot in de twintigste eeuw ging men ervan uit dat er hooguit zo'n tien miljoen indianen (8,4 miljoen schatte de antropoloog Alfred Kroeber) hadden geleefd op het continent, de dichtbevolkte rijken van Inca's, Maya's en Mexica (of Azteken) incluis.

Dat veranderde door het werk van vooral Henry Dobyns en Russell Thornton, die in de jaren zestig vooral op basis van sterftecijfers en het “terugrekenen' in de tijd, tot veel hogere aantallen kwamen. Volgens Dobyns was 95 procent van de oorspronkelijke inheemse bevolking overleden aan ziekte en andere gevolgen van kolonisatie, wat betekende dat er voor de komst van Columbus 90 tot 112 miljoen mensen in Amerika moeten hebben geleefd, méér dan in het toenmalige Europa. Thornton kwam tot de conclusie dat in Noord-Amerika (waar rond 1900 nog ongeveer een half miljoen indianen overleefden) een demografische “holocaust' had plaatsgehad. Ziekte, oorlog, maar ook de indirecte effecten van kolonisatie en culture shock (ontheemding, dalende vruchtbaarheid van vrouwen) waren daaraan debet.

Extreem hoge schattingen als die van Dobyns zijn onwaarschijnlijk, en de rekenmodellen waarop ze zijn gebaseerd blijven omstreden. Dat is ook niet verwonderlijk, want zelfs numerieke kwesties hebben, als het om indianen gaat, een ideologische lading die vaak buiten de universiteit wordt uitgebuit. Immers, hoe méér indianen er in den beginne leefden, hoe groter de genocide die de kolonisator kan worden aangewreven. Omgekeerd hebben propagandisten van the winning of the West er belang bij die aantallen zo laag mogelijk te houden: zó erg was het allemaal niet, wat we hebben aangericht. De meeste deskundigen behoren inmiddels, met de nodige nuances, tot de “veeltellers' en nemen aan dat er in de fase vóór het contact met de Europeanen in elk geval meer indianen op het continent leefden dan de “weinigtellers' meenden. Tenochtitlán, hoofdstad van de Mexica, overtrof Londen en Parijs in omvang. Ook ten noorden van de Rio Grande bevonden zich steden (hoewel dat eerder enorme boerendorpen waren), met als grootste de “heuvelstad' Cahokia (15.000 inwoners) in het stroomgebied van de Mississippi. De resten daarvan zijn te zien ten oosten van St. Louis.

Het tweede revisionistische inzicht luidt: ze waren er al langer. Algemeen wordt nu aangenomen dat de inheemse bevolking van Amerika in verscheidene golven naar het continent is gemigreerd vanuit oostelijk Azië. Maar ook de tijdsbepaling van die migratiegolven is inzet geworden van lange en verhitte controverses binnen en buiten de academische wereld. De subtekst is daarbij: hebben de indianen “altijd al' in Amerika gewoond (en is het dus met recht “hun' continent) of zijn zij ook maar recente immigranten (en hebben ze dus minder recht van klagen over hun verdringing?) En dan zijn er de gebruikelijke etnocentrische crackpot-theorieën over bijbelse stammen die zich nog vóór de indianen in de “Nieuwe Wereld' zouden hebben gevestigd.

Mastodonten

Ook zonder die laatste blijft er genoeg te redetwisten over. In de archeologie van prehistorisch Amerika gold lange tijd de “Clovis-horizon' als onwrikbare norm. Bij het stadje Clovis (Nieuw-Mexico) werden in de jaren dertig van de vorige eeuw pijlpunten gevonden die werden gedateerd op ongeveer 13.000 jaar oud. Dat strookt met de theorie van een indiaanse migratie via de Beringstraat, die in de ijstijd tijdelijk droogviel, en een “corridor' door het ijs in Alaska. Voor die theorie bestaat opvallend weinig bewijs, en indiaanse activisten maken hem graag belachelijk. Mann citeert de indiaanse polemist Vine Deloria Jr.: “Ineens is daar dat prachtige moment waarop de ijsvrije corridor op magische wijze verschijnt [...] En de paleo-indianen die in Siberië wonen, besluiten ineens om naar Alaska te sprinten. [..] En ze blijven zo snel sprinten tot ze het hele halfrond hebben bezet - en dat terwijl ze niet eens paarden hadden, omdat ze zo druk bezig waren die uit te roeien. En dit zijn dezelfde mensen die zeggen dat de traditionele [indiaanse] oorsprongsverhalen niet geloofwaardig zijn!' Met die sneer verwijst Deloria ook naar de omstreden theorie van de overkill, waarin het verdwijnen van grote zoogdieren op het Amerikaanse continent (mastodonten, paarden) wordt toegeschreven aan overjacht door Clovis-nomaden.

De Clovis-theorie staat zwaar onder druk van nieuwe theorieën over migratie-routes over zee en van archeologische vondsten in Zuid-Amerika. In Chili zijn bij de vindplaats Monte Verde artefacten aangetroffen die volgens sommige onderzoekers ten minste 12.000 jaar oud zijn. Dat zou betekenen, gezien de afstand tussen Alaska en Chili, dat de eerste indianen al veel eerder aan de trek naar het zuiden moeten zijn begonnen dan de Clovis-verdedigers voor mogelijk houden. Ook die vondsten in Monte Verde zijn hevig omstreden, maar de meeste archeologen hebben zich erbij neergelegd dat de Clovis-horizon niet zo hard is als werd aangenomen.

Dan het derde nieuwe inzicht: ze kónden meer dan we dachten. Indiaanse volken grepen veel meer in de natuurlijke omgeving in dan het romantische (en denigrerende) cliché suggereert van “natuurmensen' die alleen gebruiken wat ze strikt genomen nodig hebben. Mann onderzoekt hoe indianen met de vuurmethode (het afbranden van grote stukken bos of prairie) verantwoordelijk waren voor het “wilde' landschap dat de kolonisten aantroffen. Zelfs het Amazone-gebied, synoniem met ongerepte wildernis, is volgens sommige onderzoekers het resultaat van menselijk ingrijpen en economische activiteit.

Was Amerika vóór 1492 dan toch een paradijs, namelijk een beschááfd paradijs? Zo ver gaat Mann zeker niet, ook al heeft hij een overwegend positief beeld van de indiaanse culturen. Zijn boek maakt ook duidelijk dat oorlogen, conflicten, ziekte en de teloorgang van hoge culturen zoals die van de Maya's ook zonder Europees ingrijpen plaatshadden in de oude Nieuwe Wereld. Ook dát konden ze heel goed zonder ons.

Charles C. Mann: 1491. De ontdekking van precolumbiaans Amerika. Vertaald uit het Engels door Rob de Ridder. Manteau/Nieuw Amsterdam, 624 blz. 34,95

    • Sjoerd de Jong