Voorbij de stilte

Een herdenkingswerk over de gevallenen op de Eerebegraafplaats in Bloemendaal, pakt de lezer ongenadig aan. Het vertelt het verhaal van wegkijken en verraad, maar ook van simpele burgermoed.

De Eerebegraafplaats te Bloemendaal Foto Martin Roemers/Hollandse Hoogte Nederland, Bloemendaal, 2005 Erebegraafplaats van de Tweede Wereldoorlog. Europa west, Europese Unie, EU, grafsteen, oorlog, WO-2, WO II, monument, herdenken, herdenking, Begraafplaats, oorlogskerkhof, oorlogsmonument, vlag, duinen, foto van 6x6 negatief. Niederlande, The Netherlands, Bloemendaal, World War 2 cemetary. Europe west, European Union, EU, graveyard, world war 2, soldier,army, WW-2, WW-II, warmonument, monument, Kriegsgraeber, 2. II. zweiter Weltkrieg, Krieg, Friedhof, kriegsmonument, Gedenken, Gedenkfeier, Grabstein, Monument, Holland, picture of 6x6 negative. Foto: Martin Roemers Hollandse Hoogte

In 1999 werd in het verscheurde Ierland een boek gepubliceerd met niets anders dan de beschrijvingen van de korte en lange levens van alle ruim 3637 slachtoffers van de Ierse burgeroorlog. Het was één grote encyclopedie van gebroken harten, met alle omstandigheden die leidden tot hun dood: strijdlust, kameraadschap, loyaliteit, naastenliefde, toeval. 1630 pagina's grijze tekst, gezet over twee kolommen, zonder enige franje of illustratie. Het effect was verpletterend.

De vrucht van het jarenlange onderzoek van Peter Heere en Arnold Vernooy naar de 372 verzetsmensen die in Overveen begraven liggen, 1131 pagina's vol keiharde feiten en feitjes, doet in alle opzichten denken aan deze Ierse encyclopedie. Ook hier de nuchtere “biografische notities', de “gevalsbeschrijvingen', de nauwkeurige statistieken, de waanzinnige, vaak ongekende, details, de enorme precisie, de soberheid die bijna pijn doet. En tegelijk pakt dit boek je ongenadig aan, en je beseft steeds sterker: ja, dit wás de dagelijkse praktijk van het verzet, inclusief alle missers, stommiteiten en krankjoreme dapperheid.

Je slaat het enorme boekwerk open - het is trouwens voor iedereen die zich met het verzet bezighoudt een bijna onmisbaar naslagwerk - en je doet een greep. Gevalsbeschrijving 49, grafkuil K, vak 34, tien leden van de Binnenlandse Strijdkrachten, deels uit het studentenverzet, door verraad opgepakt, op 6 januari 1945 aan de provinciale weg Limmen-Uitgeest gefusilleerd. Voorbijgangers - veel mensen waren die dag op hongertocht - werden gedwongen toe te kijken. Zoals zo vaak werd er misgeschoten - de knoeipartijen die achter de trotse term “fusilleren' verborgen liggen zijn legio. Uit de na-oorlogse getuigenis van een van de leden van de Duitse executiepeleton: “Twee [...] personen, die blijkbaar niet goed waren geraakt, lagen te kermen en riepen: “,,Nog een, nog een.''' De Amsterdamse begrafenisondernemer J.B.J.M Bleekemolen, die meestal zorgdroeg voor de begrafenis van geëxecuteerden in het duingebied, stuurde na afloop aan de gemeente Limmen een rekening van 2025 gulden. Er volgde een protest van de burgemeester van Limmen: het bedrag was veel te hoog, “omdat het vervoer van de 10 personen met één wagen en in één rit is geschied, zoodat het m.i. niet juist is 10 x het eenheidsbedrag in rekening te brengen.' Vervolgens liet Bleekemolen de gemeente weten dat “een korting van 10x25% van f 35.-, zijnde 87,50, was verleend.' Ja, dit was Nederland.

Noodlot

Je leest door, tuimelend van ontroering naar verbijstering, en gaandeweg ontwaar je tussen de gevallen allerlei verbanden, net als in de Ierse geschiedenis. Sommige namen duiken telkens weer op, hechte familie- en vriendengroepen die gezamenlijk de bezetting trotseerden, soms is ook juist het verschil in afkomst opvallend. Toen de bij Limmen gefusilleerde mannen later samen werden herbegraven bleek dat bijvoorbeeld uit de staat van hun gebitten: sommigen hadden gouden vullingen en kronen, andere “onregelmatige en carieuze tanden en kiezen', bij eentje ontbrak zelfs bijna het hele bovengebit.

Juist door de zakelijke stijl en de onvoorstelbare hoeveelheid details is deze kleine verzetsencyclopedie zo een zeldzaam emotioneel boek geworden, een geschiedschrijving, kaalgekrabd van alle latere interpretaties en theoriën.

Lost Lives, zo hebben de Ierse auteurs hun boek gedoopt. Hier heet het De Eerebegraafplaats te Bloemendaal, en in dat woordje “ere' ligt het fundamentele verschil tussen beide werken. Kenmerkend voor veel van die Ierse verhalen is immers het toeval, het stomme noodlot dat een toevallige voorbijganger trof die ongelukkigerwijs op het foute moment in de foute pub of op de foute straathoek stond. Kenmerkend voor degenen die in Overveen begraven liggen is het omgekeerde: de wil, de eigen keuze. Kenmerkend voor de meeste Ierse gevallen is het slachtofferschap. Kenmerkend voor Bloemendaal is de beslistheid waarmee onze hoofdpersonen zelf het lot tegemoet traden.

Dit is dus een boek over moed. Over jongens en meisjesmoed - want, zoals de auteurs terecht opmerken, als je de jaartallen op de grafstenen eens terugrekent, wat waren ze vaak jong: 19, 21, 23. Over simpele burgermoed - de meesten zijn immers enkel op deze begraafplaats beland omdat hun lichamen in het nabijgelegen duingebied zijn teruggevonden: oud, jong, bankier, los werkman, rechtbankpresident, drogist, familievader, trotse homo, communist, gereformeerde, beeldhouwer, boerenknecht. Een typische dwarsdoorsnede, kortom, van het verzet in westelijk Nederland - de vele statistieken in het slothoofdstuk zijn, alleen al daarom, zeer verhelderend.

Dit boek gaat bovenal over de moed tot onafhankelijkheid en non-conformisme. Waarom is en blijft, ook bij veel jongeren, de Tweede Wereldoorlog zo'n belangrijk moreel ijkpunt? Opeens begrijp je het weer. De meeste levensverhalen concentreren zich op de laatste weken, dagen en uren, op de afscheidsbrieven, op de allerlaatste boodschappen. We lezen over Willem Arondeus die bovenal wilde dat bekend zou worden dat hij als homo aan het verzet had deelgenomen, dat homo's niet laf of verwijfd of decadent waren. Over zijn kameraden, waarmee hij die laatste weken een vaste groep vormde, die in hun gemeenschappelijke cel eindeloos praatten, discussieerden, de Bijbel lazen, grappen maakten en, zoals een van hen het uitdrukte, een ongekende tijd van “blijheid en geluk' doormaakten. Over de dertien ter dood veroordeelde Vrij Nederland-mannen die, in de woorden van een van hun medegedetineerden, iedere dag de zogenaamde Sportplatz op kwamen draven “als hadden zij geen zorgen aan het hoofd en zouden zij morgen aan den dag vrijkomen'.

Toeschouwers en voorbijgangers spelen echter net zo goed een hoofdrol. Overal in deze encyclopedie komt verraad voor en, frequenter nog, wegkijken, passiviteit en misdadige braafheid. Al die passiviteit wordt door de aanjagers van het kwaad maar al te vaak gezien als goedkeuring - het is een klassieke sociale wetmatigheid. En de meeste toeschouwers leggen de passiviteit van andere toeschouwers op soortgelijke wijze uit: het zal wel goed zijn. Uiteindelijk kan dat zelfrechtvaardigend proces leiden tot het uitsluiten van de slachtoffers van het morele universum: ze zullen het er ook wel naar gemaakt hebben.

Moraal

De spoorwegmensen bijvoorbeeld, die door hun collega Jaap Hamelink al in juli 1942 werden opgeroepen om de joodse transporten voor het “doorgangskamp' Westerbork te saboteren, en die desondanks nog twee jaar lang zonder mankeren bleven doorrijden; de keurige tandarts die niets wilde weten van de neergeschoten Samuel Goldstein die zich 's nachts naar zijn praktijkdeur had weten te slepen, en hem zonder pardon weer overleverde aan zijn beulen; de bewoners van het Friese dorpje Echtenerbrug die Lodo van Hamel en de zijnen braaf gingen aangeven bij de autoriteiten toen hun vertrek met een watervliegtuig vanaf het Tjeukemeer was mislukt - er loopt nu een Lodo van Hamelpad langs de plek, maar ik geloof niet dat ze in Echtenerbrug dit verhaal erbij vertellen.

Maar nu de positieve kant van dit verhaal: het omgekeerde werkt ook. Als- met een kreet, een krant of een daad - eenmaal de stilte is doorbroken ontstaat er dikwijls een omgekeerd sneeuwbaleffect. De moraal krijgt weer een plaats, we herkennen elkaar weer als mensen, als burgers van dit land. Dat is misschien, naast alle dapperheid, wel de grootste verdienste geweest van de 371 mannen en die ene vrouw die in dit boek worden herdacht: ze doorbraken, telkens weer, de stilte.

En dan verder? “Dag jongens!!! Flink en eerlijk en oprecht door 't leven!', schreef Dirk Brouwer als laatste hartekreet aan zijn twee zoontjes. Maar was dat wel zo gemakkelijk? Marian Vlasman, dochter van de communistische verzetsman Wies Vlasman, vertelt in het slothoofdstuk dat ze al die herdenkingen nooit bijwoonde als kind van haar vader, “maar als kind van een dooie held'. En Dunya Breur, dochter van Krijn Breur, socialist, journalist en leider van de MIL-sabotagegroep, schreef in haar indrukwekkende boek Gesprek met mijn vader hoe ze tijdens zo'n herdenking wel eens had gefantaseerd hoe al die graven opengingen: “En daar komen jullie. Jullie komen eruit! Mager, gewond, en in vodden gekleed. Jullie kijken naar ons, in onze dure jassen, jullie kijken naar al die goedgevoede mensen om ons heen, jullie kijken wie bij jullie graf staat, en jullie zeggen: “Waar is Aat? Waar is Cor? Waar is Flip? Waar is Jan? Waar is Muis? [...] Waar zijn onze kinderen? En wij zijn groot geworden, en staan er aarzelend en onzeker bij, want jullie weten niet wie wij zijn, jullie kennen ons niet eens....'

Maar nu wij, met al onze hypotheses en theoriën. Kennen wij hen eigenlijk nog?

A.Th. Vernooij en P.H. Heere: De Eerebegraafplaats te Bloemendaal. Sdu, 1131 blz. 55,-

    • Geert Mak