Troosttuin aan de Wannsee

Deuren met withouten kozijnen openen vanuit de woonkamer naar een zonovergoten terras, met daar pal achter een bloembed in rode en roze tinten. De bezoeker houdt de pas in. Meteen wordt de blik verder gezogen over een immens gazon. Een hoge berk in de verte biedt kortstondig houvast, om vervolgens te wijken voor een blauw-glinsterend meer. Nóg verder weg schuiven twee witte zeilen voorbij. Eigenlijk zou je hier elke dag willen staan. Uren.

Na een lange winter heeft het voorjaar in Berlijn zijn werk gedaan. Ook in de tuin van de villa aan Colomierstrasse 3. Het groen is fris en teer. Struiken en bloemen geven hun kleuren pas mondjesmaat prijs, maar de winterse karigheid is verdreven. De ontluikende tuin aan de Grosse Wannsee is een van de beroemde tuinen uit de kunstgeschiedenis, de tuin van Max Liebermann.

Het is niet echt de tuin zoals Liebermann die zag. Nog niet. Het is een piepjonge reconstructie, deze week vrijgegeven voor publiek.

Het laantje met de berken, vanaf het terras gezien rechts, is niet meer dan een rijtje vuistdikke stammetjes. De iele boompjes hebben nog niets van de lommerrijke krachtpatsers die Liebermann in 1926 zag en in olieverf vereeuwigde. Links manoeuvreert een kleine graafmachine behoedzaam langs een nog bladloze heg. De heggentuin, met linden en rozen, is nog niet af en ver verwijderd van het lichte en luchtige bucolische paradijs dat Liebermann er op zijn schilderijen van maakte. De perkjes rond het tuinhuisje zijn beplant, maar de heesters hebben nog een paar seizoenen nodig voordat ze tot de vensterbank komen, zoals op een beroemd schilderij uit 1930.

De tuin inspireerde de impressionist tot naar schatting tweehonderd schilderijen en tweehonderd tekeningen. Mijn “kasteel aan het water“, mijn “Schloss am Meer“, noemde Liebermann tuin en bijbehorende villa. De idylle heeft een bijsmaak. Voor de joodse kunstenaar werd het trotse bezit een toevluchtsoord, een beschermd eiland in een steeds vijandiger wereld.

In het begin van de vorige eeuw was Liebermann een gevierd en rijk kunstenaar. Hij was voorzitter van de Academie der Kunsten en prominent lid van kunstbeweging Sezession. In Berlijn noemden ze hem de “heimelijke keizer“. De Liebermanns woonden midden in de stad, pal aan de Brandenburger Tor. “Als men Berlijn binnenkomt, meteen links“, pleegde hij te zeggen.

In 1909 verwezenlijkte de schilder in één klap twee dromen. Hij zocht een zomerresidentie om het hectische leven in de binnenstad te ontvluchten. En hij zocht een tuin, die als inspiratie kon dienen. Voor 145.000 Reichsmark kocht hij een perceel van 7.000 vierkante meter, grenzend aan het water in een jonge villawijk in het zuidwesten van de stad, de Colonie Alsen. Aan één kant woonde de uitgever Carl Langenscheidt, aan de andere kant AEG-directeur Johann Hamspohn. De nieuwe villawijk moest de burgerlijke tegenhanger worden van de Pruisische kastelen en tuinen in Potsdam.

Midden op het perceel liet Liebermann een niet al te grote en ingetogen villa bouwen. Naar een voorbeeld uit Hamburg. Strakke lijnen. Geen fratsen. Noord-Duits deftig. Een voorname rechthoek, met naast de ingang twee zuilen die nauwelijks opvallen. Tegenwoordig is de villa beige en lichtgroen. Op de eerste verdieping hangt een deel van de werken die hij hier schilderde.

Voor het huis staat een rijtje knotwilgen, dat de overgang van de entree naar de voortuin markeert: een in perken verdeelde groente- en bloementuin. Liebermann koos de beplanting zelf. Hij kocht bloemen en struiken met kleuren die hij later voor zijn schilderijen nodig dacht te hebben. De compositie begon als het ware al bij de hovenier.

De tuin was een zegen. Vlak nadat het zomerverblijf klaar was, brak WO-I uit. De oorlog beperkte Liebermanns actieradius. Gedurende veertig jaar was hij vrijwel elke zomer naar Nederland gependeld, naar Noordwijk, Zandvoort, Laren, Amsterdam. Hij hield van het licht en de ruimte. In de Hollandse duinen vond hij motieven voor zijn belangrijkste werken. Opeens was zijn “Mahl-Heimat“ onbereikbaar. Zeilboten op de Wannsee, biertuinen aan de Havel en de eigen heesters dienden voortaan als motief. Toen het voedsel schaars werd, moesten gazon en bloemen wijken voor voedzame gewassen. In 1917 schilderde hij zijn tuin met een woeste, blauw-paarse zee van kool.

Liebermann had een voorliefde voor onverbloemd taalgebruik. “Ik moet zoveel kotsen, zoveel kan ik niet eens eten“, zou hij eens gezegd hebben over de opkomst van de nazi's. In de jaren dertig moest hij zijn publieke functies opgeven en werd hij in de media bespottelijk gemaakt. De Berlijnse elite, die hem jaren op handen had gedragen, stak geen vinger naar hem uit. De tuin werd zijn troost.

Liebermann overleed in 1935. Hij hoefde daarom niet meer mee te maken dat zijn paradijs werd onteigend. Ook hoefde hij niet meer mee te maken dat driehonderd meter verderop, in een villa met een vergelijkbaar adembenemend uitzicht, de genocide tot in detail werd voorbereid en dat echtgenote Martha zelfmoord pleegde om aan deportatie te ontkomen.

Rectificatie / Gerectificeerd

Bij het Europees Dagboek “Troosttuin aan de Wannsee' van Michel Kerres (Cultureel Supplement, 5 mei) stond een verkeerde foto afgedrukt: die van de villa waar de nazi's in 1942 de Wannsee-conferentie organiseerden. Een foto van de Liebermann-villa drukken wij hierbij alsnog af. (foto ARD)

    • Michel Kerres