Toen Elsschots water fonkelde

Nog altijd hoor ik mijn leraar Nederlands zeggen, ruim drie decennia geleden: “Een schrijver als Willem Elsschot, die had een woordenschat van niet meer dan zeshonderd.' Dat kwam als een schok: zeshonderd! Daarmee kon je nog geen kookboek schrijven, laat staan romans, novellen en gedichten. Ik herinner me ook dat dit luttele aantal voor mijn leraar de reden was Elsschot (pseudoniem van Alfons de Ridder, 1882-1960) tot de allergrootste Nederlandstalige schrijvers te rekenen. Ik gaf eerlijk gezegd de voorkeur aan een exorbitanter literatuur.

Rond 1970, tien jaar na Elsschots overlijden, bestond nog niet het Nagelaten werk, recent verschenen als elfde en laatste deel van het Volledig werk. Hierin lezen we proza en poëzie die verrassend on-Elsschotiaans is. “Liefdetranen' uit 1899 is een verhaal dat niemand voor een echte Elsschot zou verslijten. Zo begint het: “'t Was mooi geweest: Gouden zonneschijn uit hemel zonder wolkgewaas, hel kleurend bladergroen en bruine grond en stammengrauw. 't Keek met gefonkel in het water dat klanklachte en dansend golfde in den wind die juichend rende door 't lover, blij als een kinderziel zonder haat of liefde.' Dit impressionistisch getinte proza, deze sensitieve taalkunst herinnert eerder aan Verzen (1890) van Herman Gorter, Een liefde (1887) van Lodewijk van Deyssel en aan Kloos, Perk, de andere Tachtigers.

De ontdekking van het nagelaten proza en poëzie van Elsschot toont aan dat deze gedistantieerde, sobere en licht-ironische schrijver in zijn beginjaren woorddronken is geweest. Vanaf 1897, dus op vijftienjarige leeftijd, begon Alfons de Ridder op het Antwerpse atheneum gedichten te schrijven in het “genre Willem Kloos', zoals hijzelf toegeeft. Hij kent periodes van betrekkelijk hevige inspiratie. Zelf noemt hij het een “driedaagse koorts' waaraan hij zich niet kan onttrekken, maar ook een “marteling'. Van dat laatste, het literaire lijden, vinden we in de zeventig teksten die in dit deel zijn verzameld weinig terug. Natuurlijk, er zijn de spreekwoordelijk sombere verzen van een adolescent waarin liefdesverdriet, treurnis en een vage, melancholische stemming samengaan. Zoals in “Heimwee': “Ik loop te treuren/ in mijmerigheid;/ mijn klaaglied te zeuren/ in eenzaamheid'.

Deze voorbeeldig bezorgde editie, met verantwoording en tekstvarianten, bestrijkt een periode van zestig jaar. We zien Elsschot evolueren van overgevoelig literator naar de latere auteur die op ongeëvenaarde wijze een licht-cynische blik combineert met mededogen. Het zou een boeiende leeservaring zijn wanneer iemand nooit een letter van Elsschots befaamde boeken als Lijmen/ Het Been, Kaas, Het Dwaallicht of Villa des Roses had gelezen, en nu kennismaakt met het Nagelaten werk. Lees eerst het sentimenteel aangezette, korte verhaal “Liefdetranen' en dan het onvolprezen Het Dwaallicht, en kom er als lezer achter dat er inhoudelijk weinig is veranderd - een smartelijk liefdesverhaal -, maar stilistisch juist ontstellend veel.

Boeiend is de wijze waarop Elsschot ook in dankbetuigingen, toespraken en aanbevelingen ten gunste van collega-letterkundigen zijn afzijdigheid weet te behouden. Wanneer hij een toespraak over eigen werk moet houden, beperkt hij zich tot een opsomming van autobiografische feiten met het accent op zijn carrière als man van het handels- en advertentiewezen. Hoezeer hijzelf (net als zijn personages) hierin geslepen is, blijkt uit de “Autobiografie in briefvorm' die hij in 1936 tot het Gemeente-Archief in Den Haag richtte. Na een nauwkeurige vermelding van zijn maatschappelijke loopbaan besluit hij met een onopgesmukte aanbeveling voor eigen zaak, gevestigd te Antwerpen: “Ik woon op 't oogenblik [...] in mijn eigen huis (dat van de reklame komt). Mocht u in Nederland menschen kennen die hier reklame willen maken, dan houd ik mij voor de uitwerking aanbevolen.'

Het meest persoonlijk toont Elsschot zich als jurylid voor de Leo J. Krijn-prijs, destijds een belangrijke Vlaamse onderscheiding. Op felle toon hekelt hij de overvloed aan manuscripten die hij ontvangt; nietszeggende prullaria “over liefde, dood en andere avonturen'. Lijvige onzin, geschreven door pennenvoerders die niets te melden hebben. Totdat hij een “brontosaur' van een boek onder ogen krijgt, dat heet De Voorstad Groeit. De auteur is hem onbekend. Jurylid Elsschot blijft de hele nacht lezen en besluit dat die prijs gerust kan gaan naar “die L.P. Boon, want zoo heette die onbekende'. In deze tekst zet Elsschot voortreffelijk uiteen wat hem in deze literatuur boeit: “Zijn stijl is ruw, brutaal, ongeschoold, soms plat, maar dat alles is bewust en gewild, met goede, ja met edele bedoelingen. Want Boon is een idealist [...]; hij ziet zooveel onrecht, verdrukking, lafheid en kleinzieligheid om zich heen dat hij niet weet waar hij “beginnen“ moet.'

Oprechtheid, idealisme: zo kennen we Elsschot minder, en dankzij dit Nagelaten werk laat hij zich van een nieuwe, onvermoede kant zien.

    • Kester Freriks