THRILLERS

Een geschiedenisles van keizer Indriadason

Als kind verloor hij zijn grote broer in de sneeuw. Als volwassene kleurt dat nog iedere dag zijn leven. Het bepaalt wat hij leest (boeken over verdwijningen), waarmee hij de kost verdient (recherchewerk), waarin hij zich op werkterrein heeft gespecialiseerd (verdwijningen) en hoe hij zich in privé-relaties gedraagt (afwezig).

“Hij' is Erlendur, de raadselachtige Reykjavikse hoofdcommissaris die samen met zijn verslaafde kinderen en zijn collega's Elinborg en Sigurdur Oli de vaste waarden vormt van een serie politieromans. Schepper van een en ander is de IJslandse thrillerkeizer Arnaldur Indridason, die vorig jaar in deze krant beweerde dat hij schrijft omdat zijn hoofdpersoon hem zo intrigeert. Deel vijf van de serie, het zojuist verschenen Koudegolf, gaat dan ook voor een belangrijk deel over deze treurige man die “zelf niet (wist) waarom hij zich beter voelde in donkere winters dan in lichte zomers'.

De zaak die Erlendur dankzij zijn obsessie “oplost' betreft een tientallen jaren oud skelet dat opduikt als de waterspiegel van een meertje plots drastisch daalt. Er kom nogal wat oude troep boven water - vooral afluisterapparatuur van Russische makelij - en een van die dingen is gebruikt als verzwaring voor een anoniem lijk.

De vondst is weer een typische Hitchcockstyle Indridason-opening: mayhem and humour. Zoals de erop volgende trage speurtocht door maatschappelijke lagen typisch Scandinavisch is: menselijk, gedegen, begaan. Qua melancholie en maatschappelijke betrokkenheid had Mankell het kunnen schrijven, maar Sjöwall en Wahlöö ook. Alleen daalt historicus Indridason af in een onaangenaam stukje verleden waar die andere drie vermoedelijk minder belang bij hebben/hadden: een jaren vijftig-milieu van jonge studenten met communistische sympathieën.

Zonder veel stilistische opsmuk en met weinig oog voor het decor maakt Indridason vernietigend duidelijk hoe het idealistische wantrouwen van de Stasi en consorten mensenlevens verzwolg. De avonturen van IJslandse studenten omstreeks 1950 in Leipzig zijn op zijn zachtst gezegd vormend.

De nadruk verschuift in dit boek wel erg van politieroman of thriller naar geschiedenisles. Maar wat een geschiedenisles! Koudegolf is Indridasons belangrijkste boek, al is het zeker niet zijn spannendste. Door de manier waarop hij het raadsel Erlendur begint in te vullen is het tevens zijn meest psychologische.

Arnaldur Indridason: Koudegolf. Signature, 331 blz. 17,50

Omslag Nachtzwaluw, Kjell Eriksson

Eriksson verplaatst Hill Street Blues naar Uppsala

Een aanzienlijk actueler maatschappijbeeld presenteert Kjell Eriksson in Nachtzwaluw. Het is een schokkerig beeld en tegelijk een schokkend beeld. Schokkend door het alledaagse racisme - niet nieuw, maar het went nooit - en schokkerig door het voortdurend wisselende perspectief van waaruit hij de gebeurtenissen tijdens een tragische nacht in het Zweedse Uppsala beschrijft. Er wordt gevochten, er worden winkelruiten ingeslagen en er wordt een jongen vermoord die op weg was naar zijn nieuwe vriendin. Een onbegrijpelijke combinatie van gebeurtenissen.

Eriksson reconstrueert de rampnacht vanuit de personages, dus zonder “vertellerscommentaar'. Dat maakt de zaak levendig en schijnbaar objectief, maar voor lezers die nu in deze Hill Street Blues-achtige serie boeken over de hermandad van Uppsala vallen is het even wennen. Iedereen heeft er een geschiedenis en als lezer loop je - mede dankzij dat perspectiefgebruik - mooi achter de feiten aan.

Zo blijft ook lang de rol onduidelijk van Ali, een verwarde Iraanse puber die als vluchteling in Zweden woont. Is hij betrokken bij de plot of is hij een voorbijganger? En hoe zit het met zijn verdacht opererende opa Hadi die getraumatiseerd is en geen Zweeds spreekt? Waarom is die in het leven verdwaalde man de “nachtzwaluw' uit de titel?

Hoofdpersoon van Erikssons reeks is de politievrouw en alleenstaande moeder Ann Lindell. Ze krijgt niet eens veel meer aandacht dan haar collega's, maar deze vrouwelijke semi-antiheld is de primus inter pares. Met moeite durft Lindell op haar gevoel af te gaan. Ook de lastige positie van een veelbelovende vrouw in het corps hoort bij het maatschappijbeeld.

Eriksson mag dan geen commentaar geven, zijn engagement is door de keuze voor personages en situaties overduidelijk. Niet uitgesproken, toch een moralist. En bovenal een uitstekend manipulator van de verwachtingen van zijn lezers, want hij maakt het in een handomdraai naargeestig spannend of onheilspellend.

Geen wonder dus dat hij inmiddels tweemaal de prijs voor de beste Zweedse misdaadroman won en ook voor Nachtzwaluw - zijn vijfde boek - een nominatie voor die prijs in de wacht sleepte. Dat is heel wat in het land van Mankell en zoveel andere auteurs van geëngageerde politieboeken.

Kjell Eriksson: Nachtzwaluw. Vertaald door Tine P.G. Jorissen-Wedzinga. De Geus, 382 blz. 22,50

Vader en dochter Terlouw willen ons bang maken

Bekende en semi-bekende Nederlanders wagen zich met enige regelmaat en met wisselend succes aan de thriller. Aad van den Heuvel schrijft bijvoorbeeld uitstekende crimenovels, van Tineke Beishuizen verscheen onlangs het babbelboek Wat doen we met Fred? Ed. van Thijn schreef jaren her samen met Peter Brusse een meer dan aardige vakantiethriller. En nu is er De Charmeur, een “literaire whodunit' die politicus en kinderboekenschrijver Jan Terlouw samen met zijn dochter Sanne schreef.

Het geniale zwart-wit portret achterop het boek suggereert een gothic novel. Het bijpassende gruwelcitaat zet de toon: dit wordt huiveren.

Maar niets ervan. De Charmeur is een braaf boek in de traditie van Agatha Christie, van wie de Terlouwen menig kunstje hebben afgekeken. De complexe plot over de moord op een overspelige aardrijkskundeleraar - vol dwaalsporen, verdachtmakingen en subplotjes - is echter veel te doorzichtig. Op bladzij 55 weet je al “whodunit' en lees je hooguit verder om je gelijk bevestigd te krijgen.

De vele personages - en de carrière van Jan Terlouw - hadden ook een aanleiding kunnen vormen tot een actuele dan wel historische schets van de samenleving à la bovengenoemde Noord-Europeanen. Maar maatschappelijke thema's moesten wijken voor een privé-thema: het herstel van een vader-dochterrelatie. Leonie Reders trekt bij haar vader Job in na diens - onterechte - gevangenisstraf. Ze hebben veel in te halen en doen dat zeer verbaal, cerebraal en met teleurstellend weinig conflicten.

De Charmeur is landerig en dat geldt nog het sterkst voor het taalgebruik. Bij vlagen formuleren de Terlouwen economisch en spits. Vooral in het eerste hoofdstuk zetten ze in enkele zinnen een personage en een situatie neer. Maar vaak is hun taal onnatuurlijk en stijf, bijvoorbeeld in “met een ontegenzeggelijke verdraaiing van de waarheid'. Als halfdroog commentaar misschien nog best lollig als het niet overbodig was geweest: de lezer had de leugen zelf al kunnen constateren. En wat te denken van: “Een meisje met een kolossale popo, dito gemoed, en een vriendelijk blozend gezicht, komt de schnitzels brengen.' Dat is niet literair en ook heus niet campy, maar ronduit mal.

Jan & Sanne Terlouw: De Charmeur, Nieuw Amsterdam, 304 blz. 16,50

Verder verschenen

Janet Evanovich slaagt er als uitvindster van de crossover tussen detective en chiclit weer in om misdaadbestrijding tegelijkertijd hilarisch en smachtend te maken. Haar verrukkelijk verknipte Stephanie Plum beleeft in Tien met Stip (Vertaald door J.J. de Wit, The House of Books, 287 blz. 10,-) haar - inderdaad - tiende avontuur als semi-premiejager.

In de nieuwe Minette Walters (Duivelsveer, vertaald door Nienke van der Meulen, De Boekerij, 379 blz. 17,50) haalt journaliste Connie Burns zich de vernietigende woede op de hals van een sadistische huurling. Ze loopt hem in oorlogsgebieden in Sierra Leone en Bagdad tegen het moorddadige lijf en jaagt hem na. IJselijk goed en tijdloos actueel.

Forensische onderwerpen zijn even luguber als populair. Mark Beneckes Moordmethoden (vertaald door Ed van Eeden en Karin van Gerwen, A.W.Bruna, 285 blz. 19,95) grossiert in waar gebeurde anekdoten. Forensisch onderzoeker Bill Bass - Patricia Cornwells hofleverancier van pathologisch materiaal - heeft samen met journalist Jon Jefferson zijn feitenkennis tot fictie omgewerkt: Het Lijkenhuis (vertaald door Joost van der Meer en William Oostendorp, A.W.Bruna, 271 blz. 17,95) En Roderick Anscombe voegt in Het Leugenspel (vertaald door Caecile de Hoog, Sijthoff, 352 blz. 17,95) zeer overtuigend de forensische psychologie aan het spectrum toe.