Steeds kwetsbaarder

De 75-jarige Sonny Rollins, die naar Nederland komt, is de grootste, nog levende tenorsaxofonist. Toch is hij nog altijd onzeker over zijn muziek. “Ik blijf werk-in-uitvoering.“

Het is 1959. De lichten van Manhattan glinsteren in de nacht. Het is fris, maar het deert de eenzame solist niet. Hij dwingt zichzelf hard te spelen, tegen de geluiden van de stad in. Het is één van de meest romantische voorstellingen in de jazz: Sonny Rollins die hoog op de Williamsburg Bridge boven de East-rivier nachtelijke serenades op zijn tenorsax brengt.

Het verhaal wil dat Sonny Rollins in die tijd leefde als kluizenaar. Hij zag of sprak nauwelijks mensen. Vol twijfels over zichzelf, aan wat hij zijn publiek als musicus te bieden had, trok hij zich terug uit het openbare jazzleven. Net een paar jaar afgekickt van de drugs wilde hij zich niet langer blootstellen aan verleidingen. En naast dat hij de hete adem van rijzende ster John Coltrane in zijn nek voelde, werd de druk van critici en publiek Rollins te veel. Het was zijn overtuiging dat hij nog veel te weinig kennis van muziek had. Twee jaar lang trad hij niet meer op, tot zijn eerste plaat na zijn retraite: The Bridge uit '62.

Het was de eerste, maar zeker niet de laatste sabbatical in het leven van de Amerikaanse saxofonist Sonny Rollins. Drie keer verdween hij, de jazzgemeenschap in verwondering achterlatend. “Ik had tijd nodig om mijn leven weer op de rails te zetten. Mijn lichaam en ziel kwamen te kort. Het was nodig om weer eens goed te studeren.“

De grootste, nog levende tenorsaxofonist, met de bijnaam “Saxophone Colossus', is nu vijfenzeventig. Nog steeds zijn zijn spel en de ontwikkeling daarvan, zijn grootste zorg. De dagen van de saxofonist staan altijd in teken van muziek, laat Sonny Rollins vanuit zijn boerderij in Germantown, upstate New York weten. Het is bij hem twaalf uur 's middags. Terwijl hij zich voorbereidt op zijn Europese tournee, die hem na concerten in Zweden en Zwitserland naar het Amsterdamse Concertgebouw brengt, neemt hij ruimschoots de tijd voor een trans-Atlantisch vraaggesprek.

Nieuwe ideeën achtervolgen hem tot in zijn dromen, vertelt hij vriendelijk, de juiste woorden zoekend. “Ik heb mijn blocnote altijd bij me. Ik maak continu aantekeningen. Maar ook in gedachten noteer ik dingen. I'm consumed with music 24 hours a day. Het is een missie zonder einde.“

Stilte

Zijn appartement op Manhattan, dat hij en zijn vrouw Lucille dertig jaar hadden, heeft hij verkocht. Na de ramp in het World Trade Centre, slechts zes blokken van zijn huis in de wijk Tribeca, wilde hij er geen nacht meer slapen. De beelden van een geëvacueerde Rollins en zijn saxofoon waren destijds te zien op de Amerikaanse televisie.

Twee jaar geleden overleed zijn vrouw, die ook zijn manager was. Nu woont hij alleen. Hij houdt van de stilte en trekt zich graag terug in zijn studio om er uren te componeren en oefenen. “Ik ga nooit golfen, ik ga niet naar de film en hang niet rond in clubs. Mijn leven bestaat uit muziek. Daar voel ik me gelukkig bij. Ik ben niet het type voor dat andere vermaak.“

Hoe is het om altijd met muziek bezig te zijn? En om, in het geval van deze legendarische jazzveteraan die al ruim vijftig jaar actief is, nooit tevreden te zijn over de progressie. Het kan altijd beter. Het móet altijd beter. Ook al is Rollins met John Coltrane de meest bewonderde en nagebootste stilist op de tenorsax, maakte hij tegen de honderd albums en speelde hij met nagenoeg alle grote improvisatoren, zijn hardnekkige onzekerheid speelt hem altijd parten. Hij is een ras-tobber.

Dat is meteen al goed te merken als zijn pas opgenomen nieuwe cd Sonny, Please, ter sprake komt. “Of ik er tevreden over ben?“, herhaalt Rollins met een zacht hese stem aan de andere kant van de lijn. “Dat ben ik nooit“, klinkt het ferm. “Dit album laat zien waar ik nu ben, maar mijn spel kan altijd beter. Het is niet goed genoeg.“

De cd Sonny, Please, die eind juni uitkomt, bevat vier nieuwe composities. Daarnaast bewerkte Rollins de ballade Stairway to the Stars, een stuk van de Britse toneel- en liedschrijver Noel Coward en een negentiende-eeuws operastuk, waarvan Rollins de de titel niet meer weet. Dit is de eerste geluidsdrager die de jazzmusicus zelf uitbrengt. Rollins' afschuw van studio's en slimme productiejongens was altijd flink. En eigenlijk wilde hij enkel nog live-albums opnemen. Maar op zijn oude dag heeft de musicus gebroken met zijn platenmaatschappij Milestone. Als gevolg daarvan brengt hij zelf zijn muziek zelf uit en verkoopt hij cd's via zijn site en na afloop van concerten. “Ik ben nu de enige die zeggenschap heeft over mijn muziek“, stelt hij tevreden vast. De nieuwe zakelijke koers maakt hem enthousiast, maar over het product aarzelt hij.

“Ik kwam de jazzscene in als kind. Op mijn achttiende nam ik voor het eerst een album op met zanger Babs Gonzales. En ik was nog maar net negentien toen ik met Bud Powell opnam. Ik heb met de grootten van de wereld gespeeld: Coleman Hawkins, Lester Young, John Coltrane, Bud Powell, Miles Davis en Thelonious Monk. Geloof me, ik wéét wat grootsheid is. Hun albums draai ik in mijn hoofd. Maar ik ben daar nog niet. Mijn leven heeft altijd in het teken gestaan van beter worden. Ik blijf work-in-progress.“

Om het wat meer duidelijk te maken wat hij bedoelt, verklaart de saxofonist dat hem iets dwars zit. “Ik hoor al dagen iets spelen in mijn hoofd. En ik kan er niet bij. Misschien dat ik het één dezer dagen eens eruit krijg, zodat mensen begrijpen van: ah, nu snap ik waarom hij toen niet gelukkig was. Het gaat om nieuwe ideeën, meer vrijheid, alles. Maar het valt nog nauwelijks te benoemen.“

Sonny Rollins heeft het charisma van een vorst. Met zijn grote postuur, zijn mooie kleding, de grijze ringbaard en donkere zonnebril is hij een gesoigneerde verschijning op menig podium. Theodore Walter Rollins werd in 1930 geboren in de New Yorkse wijk Harlem. Hij was de jongste zoon - “Sonny' - van zijn op de Maagdeneilanden geboren ouders. Hij groeide op met de muziek van tenorsaxofonist Coleman Hawkins, wiens versie van Body and Soul hem inspireerde om ook saxofonist te worden.

Rollins begon op de alt, maar koos later voor de tenorsaxofoon. Hij is autodidact en bestudeerde de stijl van musici als Lester Young en Ben Webster nauwkeurig. “Luisteren naar die grote jongens was de beste training voor mijn oren“, vertelt hij. “Het waren de jaren veertig, maar ik werd omringd door de pioniers van de jaren dertig en veertig. Ik kon hun stijl al gauw kopiëren en kreeg begrip van de songs. Urenlang oefende ik, tot mijn moeder mij riep voor het eten. Ik kon simpelweg niet stoppen. Wat het ook was, ik wilde het beheersen.“

Helaas kopieerde Rollins later ook de slechte gewoontes van zijn voorbeelden. De ongezonde levenswandel van jazzgrootheid Charlie Parker had een onmiskenbare uitwerking op zijn bewonderaars. De heroïne zou ook hen beter laten spelen, was de opvatting.

Begin jaren vijftig was Rollins stevig verslaafd. Hij loog en bedroog, verpatste alles waar hij zijn handen op kon leggen. Opgepakt na een gewapende overval zat hij een tijd vast in de gevangenis op Rikers Island. Toch bleef hij in beeld als muzikant. Zijn reputatie als vernieuwer groeide snel. Hij maakte platen met pianisten Bud Powell en Thelonious Monk en werd lid van het Miles Davis Kwintet. Midden jaren vijftig wist hij af te kicken en speelde een periode bij het Clifford Brown-Max Roach kwintet. Daarna zou hij alleen nog als leider te horen zijn.

De meeste van zijn in rap tempo uitgebrachte albums uit die tijd zijn ronduit briljant. Vermaard zijn onder meer Saxophone Colossus (1956), Sonny Rollins Plus Four (1956) en Way Out West (1957), waarbij hij zich bij laatstgenoemde slechts liet begeleiden door een drummer en een bas. Ook zijn langgerekte compositie Freedom Suite uit '58 is memorabel, al was het maar om het politieke statement tegen racisme dat Rollins ermee maakte.

De spanning tussen kunst en perfectie dreef de musicus in zijn leven regelmatig op de spits. De combinatie van perfectionist en tobber leverde de blazer de reputatie op van een zonderlinge, dan wel excentrieke eenling. Kon hij eenmaal over zijn onzekerheden heenstappen, dan maakte hij monumentale opnames. In de jaren zestig werd zijn muziek vrijer, intuïtiever en grilliger. Van 1968 tot 1971 zonderde hij zich weer een periode af. Klaar met muziekbusiness bestudeerde hij yoga in een ashram in India en volgde zen-boedisme in Japan.

Zijn comeback maakte Rollins, de heersende trend volgend, met elektronische verkenningen in de r&b en popstijl. Liefhebbers vinden hem in deze tijd van wisselend niveau. Ook in de jaren tachtig zijn zijn muzikale keuzes twijfelachtig, maar de musicus blijft spelen.

Intuïtief

Rollins' meesterschap blijft altijd overeind door zijn eindeloos gevarieerde, branie-achtige solo's bij concerten. In lange halen verkent hij alle mogelijkheden, fileert hij zowel melodie als akkoorden en husselt ze door elkaar. Zonder remmingen citeert hij uit allerlei soorten muziek, zichzelf van het ene hoogtepunt naar het volgende blazend. Die solo's kunnen minuten duren. Hij gaat daarbij puur intuïtief te werk. En zodra hij speelt “neemt iets het over dat mijn vingers beweegt en mijn gedachten stuurt.“ Niet dat hij wil overkomen als een vaag type, maar beter kan hij het niet omschrijven. “De muziek speelt zelf. Mijn hoofd helemaal leeg. Ik sta daar alleen maar. Je zou kunnen zeggen dat ik even mijn lichaam verlaat. Het is een bijna spirituele ervaring.“

Soms zie je hem worstelen in zijn improvisaties. Of bieden zijn jongere medespelers, die de laatste jaren van twijfelachtig niveau zijn, hem net niet genoeg munitie om te gebruiken bij het noten vuren. De extatische momenten dat Rollins' spel wel fantasierijk, krachtig en intens is, laat hij zich helemaal meevoeren. “Mijn vrouw Lucille zei vaak: “Sonny, je muziek is zo intens. Dat moet soms te véél voor je zijn'. Dan zei ik: ,'Wat kan ik eraan doen. Ik volg gewoon de muziek'.“

Vlak voor een concert is hij gespannen en trekt hij zich in stilte terug in de kleedkamer. Zal de muziek er wel goed uitkomen? Speelt de band juist? Zijn verantwoordelijkheidsgevoel is groot. “Ik ben me ervan bewust dat mensen me beoordelen en bekritiseren. Ze verwachten veel. Die dingen voel ik.“

Gelukkig vervaagt zijn publiek gedurende zijn spel, stelt Rollins. “De eerste minuten zie ik de mensen natuurlijk zitten. Later, als ik helemaal in mijn spel zit, verdwijnen ze. Ik wil mensen niet teleurstellen. Ze betalen veel voor een kaartje en kijken naar me uit. Hoe langer ik nog speel, hoe meer men let op wat ik doe. Men vergelijkt graag. Denkend aan die dingen voel ik me steeds kwetsbaarder worden.“

Zijn oude werk laat hem compleet koud. “Ik wil spelen wat ik nú in mijn hoofd hoor. Mijn werk van vroeger is passé, al ontkom ik er soms niet aan. Dan ben ik op de radio of draait iemand mijn muziek ergens. Soms denk ik: oja, dat ging zo. Maar meestal hoor ik dingen waarna ik wens dat ik ze anders had uitgevoerd.“

Rollins valt dan ook niet gauw op gemakzuchtige herhalingen te betrappen. Nummers als Doxy, Oleo en Airegin - echte Rollins klassiekers, maken al lang geen deel meer uit van zijn repertoire. “Tenzij iemand erom smeekt“, grinnikt hij. “Oleo heb ik misschien al dertig jaar niet meer gespeeld. Mijn repertoire is zo actueel mogelijk. Pas tijdens het concert beslis ik wat ik ga spelen. De reden daarvoor is dat ik me niet opgesloten wil voelen. Free is the key. Nou dat is een mooie titel hè voor een nummer?“ Behalve zijn Caraïbisch getinte repertoire, boordevol vrolijke calypso's, vult hij aan. “Ik blijf dol op ze en wil ze telkens weer verbeteren. Een populaire calypso als St. Thomas groeit met me mee, ze wordt gemoderniseerd. Dat is het mooie van jazz: groei.“

“Er zijn in mijn leven genoeg momenten geweest dat ik tegen een muur liep. Dan wist ik niet hoe ik verder moest. Soms werkte ik te hard of was ik teveel onderweg. Of ik moest van band wisselen omdat de musici me niet genoeg inspiratie meer boden. Op die momenten dat ik niet meer zag hoe ik nog bij mijn talent kon komen, koos ik ervoor om me terug te trekken. Dat voelde frustrerend, maar ik kon niet anders.

“Ik blijf voelen dat ik een achterstand heb opgelopen die ik nooit meer inhaal omdat ik nooit een muzikale opleiding genoten. Dat gevoel kan je soms gek maken. Ik hoop dat ik nog genoeg tijd heb om te spelen wat ik eigenlijk zou willen spelen. Het perfecte album, geïnspireerd en spiritueel, moet ik nog maken. Soms hoor ik hem wel eens in mijn hoofd. Ik word gedragen door de noten en de band weet precies wát ermee te doen.“

Sonny Rollins speelt 8 mei in het Concertgebouw (uitverkocht). www.sonnyrollins.com

    • Amanda Kuyper