Niet zeuren, puinruimen

Het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940 was niet het gevolg van “miscommunicatie', maar van misdadige opzet. Dat is een van de conclusies van een nieuw, grondig en vooral leesbaar onderzoek

Zou het centrum van Rotterdam in mei 1940 aan de bommen van de Luftwaffe ontkomen zijn als de Nederlandse legerleiding eerder de Duitse capitulatievoorwaarden had aanvaard en geen kostbare uren verloren had laten gaan? Er is lang geloof gehecht aan de theorie dat het onheil had kunnen worden afgewend als de Nederlandse opperbevelhebber generaal Winkelman op de dreiging van een bombardement onmiddellijk had gecapituleerd.

Toch is voor die opvatting nooit enige grond in de feiten gevonden. Rotterdam zou voor de ramp behoed zijn gebleven als de Duitsers in de lucht zich aan dezelfde spelregels hadden gehouden als de Duitsers op de grond. Maar dat deden ze niet. De piloten van de 54 Heinkels die door veldmaarschalk Hermann Göring op Rotterdam werden afgestuurd hadden nu eenmaal de opdracht de Maasstad plat te gooien, en van die opdracht zouden ze zich door een al dan niet “tijdige' overgave niet laten weerhouden. Nederland was een bondgenoot van het imperialistische Engeland, dat Duitsland de oorlog had verklaard, en voor die steun moest het bloeden.

De historicus J.L. van der Pauw rekent in zijn Geschiedenis van Rotterdam in de Tweede Wereldoorlog af met alle theorieën die de catastrofe van 14 mei 1940 hebben toegeschreven aan eigen falen: materiële tekorten, ongeoefendheid, amateurisme, wereldvreemdheid, verraad en wat dies meer zij.

In zijn conclusies, die onderbouwd zijn door uitvoerig archiefonderzoek, neigt Van der Pauw ertoe de hoogste chef van de Luftwaffe, de nazi Göring, als de ware boosdoener aan te wijzen. Voor Göring betekende een capitulatieovereenkomst niets, zomin als hij zich stoorde aan internationale rechtsregels. Het was welbewuste tactiek dat de Luftwaffe-piloten niet reageerden op de rode lichtkogels die de Duitse legercommandant generaal R.F.K. Schmidt van de grond afvuurde ten teken dat Rotterdam zich had overgegeven en Nederland de strijd had gestaakt. Doelbewust vlogen ze door om hun bommen af te werpen en de stad te vernietigen.

In zijn omvangrijke wetenschappelijke studie, geschreven in opdracht van de gemeente Rotterdam, kent Van der Pauw zelfs geen genade voor eenvoudiger theorieën als “miscommunicatie' en “noodlottige samenloop van omstandigheden'. Volgens hem wijst al het wetenschappelijk onderzoek dat sinds 1945 is gedaan maar op één uitkomst, namelijk de evidentie van misdadige opzet.

Hoewel er honderden boeken over Rotterdam en de oorlog zijn gepubliceerd heeft de auteur nog vrij veel nieuw archiefmateriaal achterhaald. Zo heeft hij profijt getrokken van een dagboek van wethouder dr. J.F.P. Dijkhuis, die de rechterhand van burgemeester Frits Müller was, maar in werkelijkheid de machtigste man op het Rotterdamse stadhuis tijdens de oorlog. Dijkhuis was een gedreven bureaucraat, die ideologisch veel meer zendingsdrang aan de dag legde dan de NSB-burgemeester. Zijn memoires, die hij voor zijn kinderen schreef om zichzelf te verantwoorden voor zijn foute keuze (tot dat inzicht kwam hij na een niet al te lange gevangenisstraf), bevatten openhartige inzichten over zijn aandeel in de onderdrukking van de bevolking. Van der Pauw had bovendien het geluk dat hij nog uitvoerig met de dagboekschrijver kon spreken.

Apocalyptisch

Van der Pauw, die eerder een uitstekende geschiedenis schreef over de Rotterdamse illegaliteit in de Tweede Wereldoorlog (Guerrilla in Rotterdam, 1995), komt tot een positief oordeel over de Duitse generaal Schmidt, de bevelhebber van het 23ste legerkorps, die bekend stond als een professionele Wehrmachtmilitair met een fair play-mentaliteit. Hij vond het bombarderen van de burgerbevolking laf en minderwaardig. Volgens Van der Pauw heeft Schmidt “zijn uiterste best gedaan' de finale aanval van de Luftwaffe te voorkomen. Maar Berlijn luisterde niet naar de Duitse legerbevelhebber in Rotterdam: het leger werd door de partij (de nazi's) eenvoudigweg opzij gezet.

Er is nog een Duitser die er bij Van der Pauw goed af komt. Dat is de gemeentelijke toezichthouder (“Beauftragte für Rotterdam'), dr. C. Völckers, een scheepvaartman uit Bremen (geen nazi), die bij de nazi-leiding volgens toenmalige Rotterdamse ambtenaren een overtuigd behartiger van de belangen van Rotterdam en zijn bevolking was.

Van der Pauws wetenschappelijke aanpak (systematisch, veelzijdig, ruim gedocumenteerd) doet nergens afbreuk aan de leesbaarheid van zijn uiterst verzorgd uitgegeven en geraffineerd geïllustreerde geschiedverhaal. In even sobere als meeslepende stijl beschrijft hij de huiveringwekkende gevolgen van het bombardement: de apocalyptische brand die erop volgde; de infernale hitte die honderden Rotterdammers in hun huizen verraste; de fatale vergissingen die mensen begingen door hun heil te zoeken in brandkasten en andere schuilplaatsen waar ze later verkoold werden aangetroffen. Door zijn nauwkeurige woordkeuze worden de algemene ontreddering, maar ook de angst en de paniek navoelbaar, als hij beschrijft dat ondanks de afzetting van het getroffen binnenstadsgebied nog dagen na de brand verbijsterde mensen tussen het puin rondzwerven die wanhopig op zoek zijn naar hun weggeslagen huizen. Het verschil tussen wanhoop en waanzin is hier moeilijk te onderscheiden.

Alsof het er al lang op was voorbereid, begint Rotterdam - dat daarvoor een leger werklozen inzet - onmiddellijk met puinruimen. Met het puin wordt onder meer de Blaak gedempt, waarmee in één klap de basis voor nieuwe verkeersvoorzieningen wordt gelegd. De Duitsers kijken er verbaasd naar, maar waarschijnlijk ook wel beschaamd. Dat verhindert ze niet om bij de gemeente erop aan te dringen andere prioriteiten te stellen en voorrang te geven aan het puinruimen op de doorgangswegen om de Duitse voertuigen meer bewegingsruimte te verzekeren.

Van der Pauw belicht de saamhorigheid en zelfopoffering die velen in de meidagen van 1940 aan hun nooddruftige stadgenoten betonen, maar ook de minder positieve driften die zich weer in anderen openbaren: zoals overal in een rampsituatie zijn naast de vele mensenredders ook in Rotterdam plunderaars, dieven en lijkrovers actief. Evenwichtig is eveneens zijn weergave van de jodenvervolging in Rotterdam, ruim zijn aandacht voor de barmhartige Samaritanen die gezamenlijk honderden joodse stadgenoten helpen onderduiken. Ook de “landverraders' (NSB'ers) en de verraders onder de buurtbewoners die joodse onderduikers bij de vijand aangaven krijgen hun plaats in dit boek, evenals de foute politiefunctionarissen die voor een handvol zilverlingen (veertig gulden voor elke “jood') hun medeburgers aan de Sicherheitspolizei uitleverden. Van alle Rotterdamse politiemannen die na de oorlog voor die collaboratie zijn berecht, is zegge en schrijve één brigadier veroordeeld.

Excursie

Met dezelfde vitaliteit waarmee Rotterdam in de eerste weken na de brand het puin te lijf ging, pakte de gemeente - nog voordat de laatste branden geblust waren - de wederopbouw aan. Hier is de geschiedschrijver op z'n best: aan de hand van zijn levendige beschrijving krijgt de lezer een excursie langs alle versies van ir. Witteveens wederopbouwplan, alsook een relaas van de conflicten die de Rotterdamse stadsarchitect met zijn tegenstrevers kreeg. Als verkeerswegenplanner was W.G. Witteveen zijn tijd ver vooruit, maar als binnenstadsarchitect had hij verstarde opvattingen, waarover hij het met praktisch alle vakbroeders die zijn plannen moesten uitvoeren aan de stok kreeg. De botsing had een stilistische oorzaak (zijn autocratische inslag) en een ideële. De moderne architecten, veelal exponenten van het Nieuwe Bouwen, hadden grote bezwaren tegen Witteveens architectonische behoudzucht. Hij wilde, zoals hij eens zei, in de oude stadsdriehoek de verlopen binnenhavens behouden, opdat “zij die uit Indië en van elders na de oorlog hier zullen terugkeren, dit stadsdeel zullen terugvinden, overeenkomstig de herinnering welke zij daarvan bewaarden'. Bovendien liet Witteveen de architecten niet vrij in de uitwerking van hun inzichten: in de hoofdstraten van zijn plan had hij historiserende gevelwanden geprojecteerd, waaraan zij zich maar hadden aan te passen.

In deze strijd tussen oud en nieuw trok Witteveen uiteindelijk aan het kortste eind. Van der Pauws sympathie ligt onmiskenbaar bij het Nieuwe Bouwen, maar hij kraakt evengoed harde noten over de “onbarmhartige vernieuwsdrang' die de moderne planners beheerste. Vrijwel alles wat uit de gebombardeerde stad behouden had kunnen blijven, is na de oorlog gesloopt, waardoor de Rotterdammers voor de tweede maal werden beroofd van een aanzienlijk deel van hun vertrouwde stad. Deze destructieve kant van de wederopbouw, schrijft hij empathisch, is in latere jaren vaak diep betreurd. Het wrange is dat dit alles, zoals de officiële geschiedschrijver gelaten noteert, naar Rotterdamse traditie, buiten enige inspraak van de publieke opinie gebeurde.

J.L. van der Pauw: Rotterdam in de Tweede Wereldoorlog. Boom, 956 blz. 49,50

    • Harry van Wijnen