Lente

Als in Nederland de lente opeens doorbreekt, raakt iedereen in een merkwaardige staat van opwinding. De duidelijkste signalen daarvan kunnen we opvangen in het NOS-journaal van 's avonds acht uur. De dialoogjes tussen nieuwslezer en weerman of -vrouw aan het einde van het journaal zijn voor mij mooier dan het mooiste weer kan worden.

Het gaat ongeveer zo. We zitten nog de bloederige slachtoffers van een of andere zelfmoordactie te verwerken, die we net bij elkaar hebben zien vegen op een plek in Tel Aviv of Jeruzalem, als Sacha de Boer zich, helemaal in haar nopjes, naar Erwin Kroll omdraait en roept: “Erwin! Een nieuwe lente - wat heerlijk!“

Dit is het moment waarop Erwin zich de hele dag heeft voorbereid. Thuis heeft hij urenlang voor de manshoge spiegel op zijn clausen staan oefenen, elke keer in een ander pak, maar nu mag hij in zijn hagelwitte, knisperende overhemd eindelijk de huiskamers instralen als een gloeiende zon van optimisme en vrolijkheid. Hij lijkt op het punt te staan Sacha in een spontane omhelzing aan zijn borst te drukken - een grote, lieve hond die kwispelend tegen zijn baasje opspringt.

“Nou en of!“ roept hij naar Sacha, “de lente is aangebroken! Heerlijk, heerlijk! En ik kan iedereen verzekeren dat er nog veel meer lente zal komen, vandaag, morgen, in het weekend, de rest van het jaar, mogelijk de hele eeuw, en al zal er misschien af en toe een onweersbuitje zijn, die lentezon laat zich voorlopig niet meer verjagen, wij zullen er allemaal van kunnen genieten, op de stranden, in de tuinen, onder de bomen, op de bergen, langs de rivieren en, niet te vergeten, op de terrassen. Heerlijk, heerlijk!“

“Geweldig, Erwin“, roept Sacha terug, en je kunt aan de gloed op haar wangen zien dat ze helemaal wordt meegesleept door de warme lava van Erwins woordenstroom, “maar moeten we ons zo langzamerhand niet afvragen of dit nog wel lente is? Zijn er niet voldoende aanwijzingen om vast te stellen dat we eigenlijk al met de zomer te maken hebben? En als dat het geval is, is dat dan niet heerlijk?“

Erwin is dol op nieuwslezers die met hem meedenken, dus hij zal op zo'n moment niet iets jaloersigs zeggen als: “Dit is een brug te ver, Sacha, laat dat maar aan de weerdeskundige over.“ Nee, zo kinderachtig is Erwin juist niet, hij voelt zich eerder opgetild worden door die verrukkelijke belangstelling van Sacha voor zijn specialisme en hij zal moeite hebben om niet te kraaien als een blij kind terwijl hij antwoordt: “Natúúrlijk is dat heerlijk, Sacha, en al mag het feitelijk dan nog geen zomer zijn, wij moeten ruiterlijk erkennen dat het huidige weerbeeld veel meer overeenkomst vertoont met de zomer dan met de lente.“

“Wat een heerlijk idee eigenlijk“, mijmert Sacha, nu bijna rozig van voldoening.

“Heerlijker kan het niet!“ Erwin schreeuwt het uit, bang als hij is dat Sacha zal wegdommelen in haar gelukzaligheid.

Hij kijkt woest om zich heen, de adrenaline suist in zijn oren, de wereld loeit hem tegemoet, hij voelt een reusachtige aanvechting om dat zweterige pak uit te trekken, om Sacha van haar stoel te sleuren en samen poedelnaakt naar het Bloemendaalse strand te scheuren, almaar roepend: “Heerlijk, heerlijk, heerlijk!“

    • Frits Abrahams