Kunstenaar voor alle gezindten

Appel was de belangrijkste naoorlogse kunstenaar van Nederland, daar zijn collega`s en critici het over eens. “Hij bleef schuren, het mocht niet mooi worden.“

Henk van Os, hoogleraar Kunst en Samenleving aan de Universiteit van Amsterdam: “Laatst werd me gevraagd naar de twee belangrijkste Nederlandse kunstwerken van na de oorlog. Voor mij is één daarvan gemaakt door Karel Appel: Les condamnés: Hommage à Rosenberg uit 1953. Het is een schilderij van twee schreeuwende mensen, dat ik als jongetje in Groningen zag. Het maakte een verwoestende indruk op me. Als ik het werk nu terugzie denk ik: `Jezus, dat is toch wel kunnen omgaan met verf en kleur.`“

Rudi Fuchs, oud-directeur van het Stedelijk Museum: “Ik heb hem ontmoet in 1986, toen ik zijn werk liet zien in het Van Abbemuseum. We raakten aan de praat en zijn altijd in gesprek gebleven. Appel wilde daar zijn waar de dingen gebeurden. Hij heeft altijd contact gezocht met internationale coryfeeën, in Parijs met Tapiès en Saura, in New York met Klein, De Kooning en Rothko. Dat is een karaktertrek van alle grote kunstenaars: die trekken naar buiten. Een andere eigenschap van grote meesters is dat ze tot het eind toe proberen het onmogelijke te bereiken. Dat zie je ook bij Picasso, Rembrandt, Rafael. Appel zocht naar momenten waarin iets te overwinnen was, en daardoor mislukte er ook veel. Hij had een feilloos gevoel voor wanneer iets routine werd. Hij bleef schuren. Het mocht niet mooi worden.“

Carel Blotkamp, kunsthistoricus: “Nadat men aanvankelijk moeite had om hem te accepteren is Appel een kunstenaar voor alle gezindten geworden. Ook mensen die nooit naar kunst kijken kunnen `een Appel` herkennen; zijn roem is van icoon-achtige proporties. Dat lukt er maar weinigen. Over zijn eigen werk was hij niet kritisch genoeg, denk ik. Hij heeft te veel geproduceerd, het was van wisselende kwaliteit. Maar toch is hij tot het eind buitengewone dingen blijven doen. Hij behield zijn ruigheid, en kwam steeds weer terug met actueel werk.“

Rudy Kousbroek, schrijver: “Remco Campert en ik zochten in 1949 Appel op in zijn atelier aan de Amstelstraat, om hem te vragen een omslag te maken voor het tijdschrift Braak. We mochten iets uitkiezen, maar het moest reproduceerbaar zijn in zwart-wit. We kregen een gouache, maar het bleek toch onmogelijk er een lijncliché van te maken. Ik heb toen die gouache maar nagetekend in Oostindische inkt en zo is hij ook verschenen, Braak No 3, niemand heeft het ooit geweten.

“Ik herinner mij dat bezoek nog heel duidelijk. In het atelier hoorden we de hele tijd een verontrustend grommend en rochelend geluid dat uit de schilderijen leek te komen. Karel, zo bleek later, hield duiven op de zolder van dat atelier. Ik bracht het in verband met de vele schilderijen van woeste monsters die in het atelier hingen: als die geluiden konden maken zou het zo geklonken hebben.“

David Bade, kunstenaar: “Ik ben erg geschrokken van zijn dood. Hij was heel, héél belangrijk. Ook voor mij. Onlangs heb ik heb ik hem in een werk een beetje geparodieerd. Ik maakte een installatie van een schildersatelier, met de tekst: `Ik denk maar wat na`. Dat was ook om de conceptuele jongens een beuk te geven. Die doen altijd heel belangrijk. Appel deed nooit belangrijk.

“Ik heb Appel een paar keer ontmoet. In 1994 was ik als 24-jarige een tentoonstelling in het Stedelijk aan het opbouwen toen hij langskwam. Hij gaf me een aai over de bol en zei: `Ga maar zo door, jongen.` In 2000 was ik op een opening in Italië waar de oude Iannis Kounellis rondliep. Allemaal jonge kunstenaars kwamen hem de hand kussen, uit respect. Ik dacht: dat doen wij nou nooit. Toevallig was ik een week later op een diner in het Stedelijk, waar ook Appel aanzat. Ik dacht: Bade, nu moet je het doen. Dus ik liep naar hem toe: `Meneer Appel, ik wil zeggen dat ik u enorm waardeer.` Nou, die hele kop glunderde, van links naar rechts.“