Karel Appel (1921-2006)

Karel Appel, die woensdagavond in Zürich op 85-jarige leeftijd is overleden, was de meester van de grote geste, de viriele kunstenaar met borstelsnor die de zinderingen van zijn grote hart rechtstreeks op zijn doeken smeet - grote doeken vanzelfsprekend, in felle kleuren en met brede halen.

Karel Appel was zonder twijfel een van de grootste Nederlandse kunstenaars van na de Tweede Wereldoorlog. Vooral zijn zogenaamd naïeve doeken die ontstonden in de periode tussen 1946 en 1955, horen tot het beste wat er in de vorige eeuw in Nederland is gemaakt - zo vitaal, zo krachtig en confronterend is er zelden geschilderd.

Ondanks zijn artistieke ambities ziet zijn vader hem liever werken in de kapperszaak. In 1939 wordt hij zelfs het huis uitgegooid. De jonge Appel wordt fanatiek, op het verbetene af. Dat is in de beginjaren zijn grote kracht. Na de oorlog helpt het hem bij het vinden van zijn stijl. Met Corneille en Constant richtte Appel in 1948 de Experimentele Groep Holland op, die later, als de Deen Asger Jorn en de Belg Christian Dotremont erbij komen, overgaat in CoBrA - de belangrijkste mede-Nederlandse avantgarde-beweging van na de Tweede Wereldoorlog. Cobra vertegenwoordigde de Europese variant op het nieuwe artistieke elan na de Tweede Wereldoorlog; kunstenaars verlangden naar een nieuwe toekomst en juist de heldere, kleurige en toch confronterende Cobra-beelden konden die uitstekend bieden.

Na de wandschildering Vragende Kinderen in de koffiekamer van het Amsterdamse stadhuis (1949) gaat het hard met Appel. Hij wint in 1954 de Unesco-prijs op de Biennale van Venetië en in 1959 de internationale prijs voor schilderkunst op de Biennale van Sao Paulo.

In de jaren '80 en '90 probeert Appel nog verscheidene nieuwe vormen uit - voorstellingen op een volledig zwarte achtergrond, doeken met verhalende voorstellingen, veel beelden, en schilderijen waarbij hij de mogelijkheden van de brede, ruwe schilderstoets onderzoekt. Maar hoezeer ze ook met groot talent zijn geschilderd, ze hebben niet de impact van zijn vroege werk. Tegelijk wordt ook duidelijk dat Appel weinig serieuze navolgers kent.

Voor Appel moet het een dubieuze eer zijn geweest: hij was beroemd, werd gevierd, maar de inhoudelijke aandacht voor zijn werk raakte langzaam op de achtergrond. Misschien is dit dan ook het beste wat je zijn nagedachtenis kunt toewensen: dat, nu hij zelf is gestorven, de mythe op de achtergrond raakt en er steeds meer en beter en intenser naar zijn werk zal worden gekeken. Dat verdient de nagedachtenis van Karel Appel. Dat verdienen zijn schilderijen.

    • Hans den Hartog Jager