Iran

Een groter gevaar dan de nucleaire ontwikkeling van Iran zijn de misverstanden die bestaan over het Iraanse regime. Deze misverstanden worden in het leven geroepen en verspreid door journalisten of wetenschappers die niet gehinderd lijken door veel kennis van zaken. Een van die misverstanden is het idee dat Iran wordt geleid door een groep godsdienstfanatici. Afgelopen week gaf Ronald Havenaar daar nog weer eens een voorbeeld van (Boeken, 28.04.06) via zijn bespreking van twee nieuwe boeken (John Lewis Gaddis, The Cold War, en Michael Mandelbaum, The Case for Goliath).

“De Iraanse president leidt een regime van heethoofden [] die belust zijn op confrontatie', verklaart Havenaar. Hij ondersteunt deze verklaring onder meer met Ahmadinejads publieke verklaring dat Israël van de kaart moet worden geveegd. Dat de Iraanse president geen leiding geeft aan het Iraanse regime, maar slechts het hoofd is van de Iraanse regering, is Havenaar blijkbaar ontgaan. Niet Ahmadinejad, maar geestelijk leider ajatollah Khamenei staat in Iran aan het politieke roer. Anders dan vooroordelen doen vermoeden, is Khamenei niet gecharmeerd van Ahmadinejads boude politieke uitspraken. Ook is blijkbaar onbekend dat Ahmadinejad zijn onverkwikkelijke uitspraken over Israël juist heeft gedaan in zijn strijd met andere conservatieve leidende figuren binnen het Iraanse politieke establishment. Door de kaart van Israël te trekken, hoopt hij steun onder de bevolking te winnen. Bovendien: vraagt men zich wel eens af hoe Iran Israël van de kaart zou kunnen vegen? Als Iran een poging daartoe zou willen ondernemen, tekent men immers automatisch zijn eigen doodvonnis.

Veel zogenaamde experts hebben geen oog voor de diversiteit binnen het Iraanse regime en horen alleen die geluiden uit Teheran die ze blijkbaar wíllen horen. Dat het Iraanse regime bestaat uit godsdienstfanatici die uit zijn op confrontatie, is een claim die nauwelijks wordt ondersteund door het Iraanse buitenlands beleid. Sinds de dood van ayatollah Khomeini (1989), die na de Revolutie van 1979 de macht naar zich toe had getrokken, is het Iraanse regime een beduidend pragmatischer richting ingeslagen. Teheran heeft sindsdien veel van zijn wilde haren verloren en is ook vandaag de dag wel degelijk in staat om een rationele buitenlandse politiek te voeren. Voor zover deze rationaliteit wordt beperkt, heeft dat net zo goed met binnenlandse als met buitenlandse factoren te maken. Iran is in die zin niet anders dan andere landen, al lijken de uitspraken van Ahmadinejad dat niet te bevestigen.

Zelfs voor de meest pragmatische leiders binnen het Iraanse regime geldt dat concessies onmogelijk zijn wanneer daar niets tegenover staat. Een begrijpelijke houding voor een regime dat dat zich grotendeels baseert op het idee onafhankelijk te willen zijn van het Westen. Onderhandelingen met Iran kunnen daarom pas effectief zijn wanneer zij plaatsvinden op basis van gelijkwaardigheid en wederzijds respect - zaken waarvan zowel de VS als de EU weinig blijk geven. Sancties en dreiging met militaire actie kunnen Iran er tijdelijk toe dwingen unilaterale toezeggingen te doen. Voor een constructieve oplossing is echter meer nodig: een gelijkwaardige tegenprestatie, zoals een handelsovereenkomst met de EU, het wegnemen van blokkades bij de toelating tot de WTO en - vanzelfsprekend - de toezegging van het recht op ontwikkeling van civiele nucleaire energie (uiteraard onder toezicht van het IAEA). Een andere “oplossing' is wellicht de ontwikkeling van een atoombom - misschien dat Iran als nucleaire macht wél serieus wordt genomen.

Een adequate reactie op de Iraanse buitenlandse politiek betekent een onderkenning van waar het gevaar van Iran mogelijk ligt, maar vooral ook van waar het níet ligt. Het zou naïef zijn om te ontkennen dat het Iraanse nucleaire programma tot de ontwikkeling van nucleaire wapens zou kunnen leiden. Dat de ontwikkeling van nucleaire wapens een bedreiging zou kunnen betekenen voor de westerse wereld wanneer deze in de verkeerde handen vallen, is een reële angst (al lijkt die kans bijzonder gering). Dreigementen richting Iran zijn echter niet alleen ineffectief, maar hebben bovendien een averechts effect. Vijandelijkheid van westerse machten bevestigt de positie van de ultraconservatieven (zoals de huidige president) - ten koste van meer gematigde leiders in het Iraanse regime. Wie het regime in Teheran benadert als een stel religieuze gekken, zal Ahmadinejad alleen maar in de kaart spelen en vooroordelen bevestigd zien. Maar wie zijn retoriek kan onderscheiden van de pragmatischer houding van de werkelijke leiders van Iran, zal ontdekken dat er wel degelijk rationele oplossingen mogelijk zijn.

Maaike Warnaar en Paul Aarts

Maaike Warnaar is politicologe en werkt aan de Universiteit van St Andrews aan een proefschrift over de buitenlandse politiek van Iran. Paul Aarts doceert internationale betrekkingen aan de Universiteit van Amsterdam.

Iran 2

In het kaderverhaaltje “De kernmomenten van de Koude Oorlog' laat Ronald Havenaar na om te vermelden dat het sturen van raketten naar Cuba door “de Russen' niet meer was dan een reactie van Chroesjtsjov op het plaatsen van nucleaire raketten in buurland Turkije door de Amerikanen. Ook wordt niet vermeld dat deze later (in het geniep) weer zijn weggehaald als “part of the deal', waarbij Chroesjtsjov eerst de zijne moest weghalen. Wat hadden onze arrogante Amerikaanse “vrienden' dus gewonnen met die hele Cuba-crisis? Slechts dat de publieke opinie hen als “winnaars' zag in het conflict. Blijkbaar is die publieke opinie een bijna-kernoorlog waard.

Deze kennis werpt een ander licht op de passage in Havenaars artikel: “Chroesjstsjov was het meest uitgesproken voorbeeld van een leider die probeerde kernwapens te gebruiken als instrument van intimidatie, met het doel politiek voordeel te behalen'. Op zo'n gekleurde manier wordt de geschiedenis verdraaid, worden de Russen op de aloude standaardmanier als onverantwoordelijke idioten afgeschilderd en de Amerikanen als standvastig rationeel omschreven.

De huidige situatie met betrekking tot Irak en Iran heeft ons weer in de oude propagandawereld van de Koude Oorlog teruggebracht. We laten ons weer collectief door de Amerikanen bang maken. Eerst in de Koude Oorlog voor de Russen, nu voor Iran. Laten we niet vergeten dat er nog maar één land is dat ooit een kernbom (twee maal) heeft gebruikt, en dat is Amerika zelf. En dat nog op een zinloze manier; de Tweede Wereldoorlog was al zo goed als gewonnen.

Dat Seymour Hersh in The New Yorker zegslieden laat verklaren dat Iran wordt geleid “door een aantal “nuts': godsdienstfanatici die belust zijn op confrontatie', is ook een zeer tendentieuze uitspraak. Amerika heeft oneindig keer vaker de militaire (inclusief nucleaire) confrontatie opgezocht. Maar aan hun retoriek zijn we inmiddels al zo gewend dat we het niet eens meer opmerken. Onvoorstelbaar dat de oppositie tegen Amerika niet groter is.

Arie Veltman, per email

Iran 3

De situatie tijdens de Koude Oorlog was paradijselijk, de Sovjets diplomatieke modelleerlingen, althans vergeleken met de huidige Iraanse leiders, schrijft Ronald Havenaar. Met dit soort taalgebruik zijn we natuurlijk weer helemaal in de sfeer van die Koude Oorlog, toen ons op een vergelijkbare manier werd verzekerd dat de communisten bezig waren de wereld te veroveren, dat ze nooit zonder geweld afstand zouden doen van hun macht, dat als Vietnam zou vallen heel Zuid-Oost Azië een prooi van het communisme zou worden, en zo verder.

De huidige leiding van Iran bestaat volgens het artikel uit heethoofden en godsdienstfanatici. Dus zou er preventief ingegrepen moeten worden. Dat de beschrijving van de Iraanse leiders aardig overeenkomt met de eigenschappen van de regering-Bush, ontgaat de schrijvers van de boeken en blijkbaar ook de recensent.

Hans Dijkman, per email

Iran 4

Hoe Amerikaans is het, wat Michael Mandelbaum in zijn boek The case for Goliath allemaal uitdenkt, althans volgens Ronald Havenaar. Het zou aan Amerika zijn, aan Goliath dus, om te verhinderen dat Iran een atoombom maakt, nadat het zich eerst zelf (in 1945) van dit verschrikkelijk zware wapen had voorzien, prompt gevolgd door Rusland (1951), Engeland (1952), Frankrijk (1960), China (1964), India (1974), en voorts Israël, Pakistan, en Noord-Korea.

Dat zijn nogal wat landen. Tot nu toe is het er nog niet van gekomen dat het kernwapen ook gebruikt werd - afgezien van de keren dat de Amerikanen het zelf deden, in Japan in 1945. De afschrikking werkt kennelijk stabiliserend. Maar, zo overdenkt Mandelbaum, het zou onaanvaardbaar zijn als dit wapen in handen zou komen van een land als Iran, dat geleid wordt door de nu vijftigjarige fanaticus Mahmoud Ahmadinejad, die de vernietiging van Israël zegt na te streven. Op zo'n fanaticus zou de afschrikking niet werken. Hoe komt hij erbij? Als hij het in zijn hoofd zou halen om in de komende tien jaar een Iraanse atoombom op Tel Aviv te gooien, dan kan hij er immers van verzekerd zijn dat het Israëlische atoombommen zou regenen op Teheran, Tebriz, Bushir, Ahwaz, Isfahan, Hamadan, Kermanshah en Sjiraz. En als hij zijn atoombom alleen maar als afschrikking wil gebruiken, wat doet hij dan anders dan de negen al genoemde landen? Omringd door vijandige machten, is dit naar alle waarschijnlijkheid de reden waarom Iran zo'n wapen ontwikkelt. Het is een hersenschim dat een land, ook een land als Iran, zo ingewikkelde en kostbare wapens als atoombommen aan loslopend tuig van terroristen ter beschikking zou stellen.

C.D. Andriesse, Zeist