`Europeaan is gehecht aan streek`

De EU wil de mobiliteit van werknemers bevorderen, maar Europeanen aarzelen. “In Amerika kopen ze gewoon ergens anders een papieren huis.“

De helft van het jaar in Duitsland werken, de andere helft in Portugal en het jaar erop in Ierland. Zo zou de Europese Commissie het graag zien. Om Europa echt één economie te laten worden, zouden Europese burgers in heel Europa aan de slag moeten. Voor een flexibele, moderne Europese economie, die kan concurreren met de VS, China en India, zouden Europeanen vaker van baan moeten wisselen.

De Europese Commissie heeft 2006 uitgeroepen tot het jaar van de arbeidsmobiliteit. Helaas voor de Commissie lijken de lidstaten en het Europees Parlement een andere agenda te hebben dit jaar. Ook de meeste Europese burgers werken nog niet mee aan de verwezenlijking van het ideaal van arbeidsmobiliteit.

Europese burgers werken bijna allemaal in hun eigen land. Slechts 1,5 procent van de Europese bevolking werkt in een ander Europees land. Dit percentage bleef de afgelopen dertig jaar ongewijzigd. De gemiddelde Europeaan wisselt om de tien jaar van baan. Amerikanen doen dit om de zes jaar. Constanze Beckerhoff, beleidsmedewerker bij het Europees Parlement, somt de cijfers op. “De arbeidsmobiliteit in Europa is erg laag“, zegt ze.

De Tsjechische europarlementariër Richard Falbr (sociaal-democraten) denkt te weten waarom. “Mensen zijn gehecht aan hun streek en hun huis. In Tsjechië willen mensen zelfs niet verhuizen naar een andere streek waar meer werk is. In Amerika is het anders. Mensen verkopen hun papieren huis, verhuizen naar de andere kant van het land en kopen daar een nieuw papieren huis.“ Zijn Europese gehoor lacht.

Falbr sprak deze week in Brussel op een seminar over arbeidsmobiliteit. Het was georganiseerd om te vieren dat de oude lidstaten met twee jaar vertraging - in 2004 traden de voormalige Oostbloklanden toe tot de Europese Unie - op 1 mei de grenzen voor werknemers uit de nieuwe lidstaten geopend zouden hebben.

Het liep anders. Alleen Portugal, Spanje, Griekenland en Finland openden op 1 mei hun grenzen. Net als Nederland deden de meeste oude lidstaten dit niet. “Na het referendum vonden mensen bij de Europese Commissie dat de Nederlandse regering niet haar best had gedaan om de Grondwet te verkopen. Dat is nu niet zo. Wel wordt gedacht dat de Nederlandse regering beter had kunnen uitleggen wat open grenzen betekenen“, zegt Klara Scheepers, beleidsmedewerker bij het Europees Parlement.

Europarlementariërs hebben kritiek op landen die Oost-Europeanen nog niet toelaten. De Hongaarse europarlementariër Csaba -ry (christen-democraten): “In de Unie durven we de culturele verschillen met immigranten niet te bespreken. Daarom komen landen maar met een lijst van economische argumenten om ze niet toe te laten.“ De Belg Raymond Langendries (christen-democraten): “De overgangsmaatregelen kunnen niet voor altijd duren.“

Terwijl Nederland werknemers uit de oostelijke lidstaten niet toelaat, stelde minister Brinkhorst (Economische Zaken, D66) eerder deze week voor om het ondernemers van buiten de EU makkelijker te maken in Nederland een zaak te beginnen. De Poolse europarlementariër Kulakowski (liberalen) vindt dit “tegenstrijdig, onlogisch en sociaal onacceptabel“. “Nederland wil rijke, getalenteerde Amerikaanse ondernemers en werknemers wel hebben“, zegt de Italiaanse europarlementariër Kusstatscher (Groenen), “maar een arme Poolse timmerman niet. Terwijl je voor die slimme Amerikanen banger zou moeten zijn.“

Maar als het erop aankomt, zijn de europarlementariërs ook terughoudend: moeten Europese burgers wel net zo arbeidsmobiel worden als Amerikanen? Kulakowski: “De vrijheid om in heel Europa te werken is een fundamenteel recht, maar dat betekent niet dat iedereen moet blijven rondtrekken. Het is een plus om elders aan de slag te gaan. Als mensen, doordat ze in hun eigen land geen werk kunnen vinden, gedwongen worden mobiel te zijn, is dat geen plus.“ Hij vindt dat de EU beter moet kijken naar gevolgen voor de landen waar mensen vertrekken. “Dat het voordelig is voor het gastland is niet genoeg.“

Twee Europese richtlijnen over arbeidsmobiliteit staan onder druk door toedoen van het parlement. In februari werd de angel uit de dienstenrichtlijn gehaald: een advocaat bijvoorbeeld die in een ander Europees land werk levert, is ook gebonden aan regels in dat land en niet alleen aan de wetten van het eigen land, zoals Brussel wilde. De detacheringsrichtlijn, voor bijvoorbeeld bouwvakkers die door hun werkgever in een ander land aan het werk worden gezet, krijgt veel kritiek van het parlement, onder aanvoering van de Duitse europarlementariër Schroedter (Groenen). Lidstaten zouden het werk dat gedaan wordt niet goed kunnen controleren.

Controle of vrij verkeer? Vrijheid of bescherming? In deze vragen lijken de europarlementariërs geen keuze te kunnen maken. “Competitiviteit en sociale cohesie zouden complementair moeten zijn“, zegt Kulakowski. Schroedter wil bescherming voor werknemers, maar ook vrijheid voor bedrijven. “Het is een moeilijke combinatie“, geeft ze toe. Minder controles, regels en voorschriften betekenen meer bewegingsvrijheid voor werknemers en bedrijven, maar ook minder bescherming. Vrij verkeer van arbeid is een van de pijlers van de Unie. De lidstaten en het parlement zullen moeten kiezen, om arbeidsmobiliteit echt mogelijk te maken. Het is dan aan de Europese burgers of ze er gebruik van maken.

    • Inger Kuin