En toch is er nog hoop

De utopie is nog niet dood verklaard, of hij is alweer aan een wederopstanding begonnen. Nu gelden de anti-globalisten als de nieuwe utopisten. Maar is het simpele verlagen naar “iets anders' al genoeg om van een utopie te spreken?

In De erfenis van de utopie (1998) verklaarde de Twentse filosoof Hans Achterhuis over de sociale utopie dat deze “haar tijd gehad heeft'. Dat moest ook wel, want anders viel er geen erfenis te verdelen. Volgens hem konden er voornamelijk “negatieve' lessen worden getrokken uit haar mislukking. In het bijzonder het totale en absolute karakter van de utopie was funest gebleken: “absolute aspiraties dienen uitgeleefd te worden in kunst en literatuur en niet in de politiek-maatschappelijke orde', schreef Achterhuis.

Dat was acht jaar geleden. Dezer dagen is van dezelfde Achterhuis een nieuw boek verschenen, kortweg Utopie getiteld, waarin hij ruimhartig zijn ongelijk toegeeft. Hij had het bij het verkeerde eind gehad door de utopie dood te verklaren; de utopie blijkt “nog steeds springlevend' te zijn, lezen we nu. In een interview met Filosofie Magazine (3/2006) vernemen we dat een “enthousiaste bespreking' door Sjoerd de Jong van Negri en Hardt's Empire (Boeken, 3-8-2001) hem op andere gedachten heeft gebracht. Het nieuwe utopische elan zit dan ook volgens Achterhuis bij de zogeheten “andersglobalisten', voor wie Empire als een soort bijbel geldt.

Toch vinden we in dit boek (dat door De Jong overigens eerder kritisch dan “enthousiast' werd besproken) geenszins de blauwdruk van een totaal andere wereld - net zoals de “andersglobalisten' veel minder verschillen van de globalisering die zij zeggen te bestrijden dan voor ware utopisten wenselijk zou zijn. In beide gevallen is er slechts sprake van een verlangen naar verandering binnen de bestaande orde. Hoe innig de band daarmee blijft, demonstreert bij elke wereldtop de Pavlov-achtige aanwezigheid van “andersglobalistische' activisten.

Nog los van de vraag of één voorbeeld (want meer noemt Achterhuis er niet) genoeg is om de utopie uit het graf te laten opstaan, komt dit specifieke voorbeeld mij nogal dubieus voor. Tenzij je het simpele verlangen naar iets anders al voldoende vindt om van een utopie te mogen spreken. De marxistische filosoof Ernst Bloch bundelde ooit alles wat maar naar het utopische zweemde onder de noemer (tegelijk de titel van zijn lijvige studie) Das Prinzip Hoffnung - hoop doet leven, zal Achterhuis hebben gedacht.

Voor een echte utopie lijkt me méér vereist. Bijvoorbeeld een uitgewerkt plan van het verhoopte alternatief, met als typerende kenmerken: geloof in maakbaarheid, gerichtheid op de samenleving en nadruk op een totale verandering. In De erfenis van de utopie noemde Achterhuis deze drie kenmerken om utopieën van andere wensdromen te onderscheiden. Maar in het nieuwe boek ziet hij er bij voorbaat van af de utopie te definiëren. “Het klinkt een beetje flauw, maar je zou kunnen zeggen dat de uitkomst van de speurtocht naar een definitie van het begrip “utopie' is, dat het een utopie is om haar te vinden'.

Science fiction

Een beetje flauw inderdaad, en dat komt vaker voor. Utopie blijkt een “Eindexamencahier' te zijn, bestemd voor het vak filosofie op de havo in de jaren 2007-2009. Vandaar wellicht dat de filosoof zo nu en dan stilistisch door de knieën zakt en op de hurken verder gaat, waarna utopisten bijvoorbeeld “ervoor gaan' of van utopisten en hun tegenstanders gevraagd wordt of ze wel “door één deur' kunnen. Op Achterhuis' relaas (dat nog geen zeventig bladzijden in beslag neemt; de rest van het boek bestaat uit “primaire teksten' van onder anderen Plato, More, Bacon, Huxley en Orwell) valt verder niet zoveel aan te merken. De havo-leerlingen zullen er vast veel van opsteken, maar wie een beetje thuis is in de materie leest niets nieuws.

Mijn wantrouwige inborst fluisterde mij in dat Achterhuis de utopie mogelijk weer tot levend gedachtegoed heeft uitgeroepen, omdat hem gevraagd is dit “cahier' te schrijven. Leerlingen maak je niet geestdriftig voor het alternatieve leven en denken, als je erbij moet vertellen dat geen hond er meer in gelooft. Maar nee, mijn inborst krijgt ongelijk, want Achterhuis blijkt tegenwoordig niet de enige te zijn die de terugkeer van de utopie verdedigt.

Ook de Amerikaanse literatuurwetenschapper en cultuurcriticus Frederic Jameson is ervan overtuigd. In zijn nieuwe boek Archeologies of the Future. The Desire Called Utopia and Other Science Fictions schrijft hij dat de utopie “haar vitaliteit lijkt te hebben herwonnen als een politieke slagzin en als een politiek stimulerend perspectief'. En net als Achterhuis zoekt hij dit nieuwe utopisme bij de tegenstanders van de globalisering. Maar of zij veel aan zijn boek zullen hebben, betwijfel ik, hoewel de auteur beslist niet op de hurken is gaan zitten. Op vrijwel elke bladzijde doet Jameson een royale greep in de literaire en filosofische boekenkast; alleen heeft hij het verder voornamelijk over science fiction. Bij Achterhuis lees ik dat in veel sf-romans utopieën voorkomen. Jameson draait de rollen om: voor hem is de utopie het “sociaal-economische subgenre' van de science fiction.

Jameson behandelt de utopie allereerst als tekst. De vraag hoe uit zo'n tekst daadwerkelijke politieke actie kan voortkomen, wordt uitgesteld tot later. Heel verstandig, aangezien talloze critici van het utopische denken terecht betogen dat juist de met geweld overbrugde kloof tussen blauwdruk en werkelijkheid in het verleden tot zoveel rampspoed heeft geleid. De andere barrière die Jameson moest nemen, bestaat uit de in brede kring levende gedachte dat met het huidige democratisch-kapitalistische systeem alle wenselijke mogelijkheden zijn uitgeput. Het mag dan niet volmaakt zijn, maar de alternatieven waren tot nu toe erger. Dus waarom zouden nieuwe utopieën wél beter zijn?

Jameson stelt bescheiden voor om te beginnen met een “anti-anti-utopisme', en ook zijn keuze voor science fiction als onderzoeksobject moet in dit licht worden gezien. Geen ander genre heeft immers zoveel ervaring met het ontwerpen van volstrekt andere werelden. Hoe doen sf-schrijvers dat, wat drijft hen, welke vormen van “representatie' gebruiken ze? Op deze manier hoopt Jameson inzicht te verwerven in de “historische ontstaansmogelijkheden' van utopieën, want die zijn overduidelijk niet in alle tijden gelijk.

Het is wel een erg ruime omweg, en daarbij legt Jameson de nadruk ook nog eens op de “formele' aspecten van het genre. Wie zo te werk gaat, laat zien dat het postmodernisme niet ongemerkt aan hem voorbij is gegaan. Een studie op zo'n literair meta-niveau heeft iets typisch postmoderns, maar het postmodernisme is door Jameson in zijn bekendste artikel (Postmodernism or the Cultural Logic of Late Capitalism uit 1983 - het gelijknamige boek is uit 1991) ontmaskerd als dé culturele expressie van het hedendaagse laat-kapitalisme. En nu gaat hij zelf als een postmodernist te werk!

Voor de marxist die Jameson heet te zijn, lijkt me dit een hopeloze positie, ook al tiert het marxisme (samen met het postmodernisme) nergens weliger dan aan de Amerikaanse universiteiten. Voor de liefhebber van science fiction zit zijn boek vol met fascinerende ideeën en analyses, maar de gevestigde orde heeft er net zoveel van te vrezen als van de havo-leerling die straks dankzij Achterhuis een tien voor filosofie op zijn eindexamen haalt.

Toch is de hoop, lang leve Ernst Bloch, zonder twijfel het meest vitale element dat van de ooit zo bloeiende utopische traditie is overgebleven. Niemand neemt de even kritische als uitbundige fantasieën van oude utopisten als More, Campanella, Fourier en Morris nog serieus; hun teksten zijn inderdaad literatuur geworden of - om met Jameson te spreken - science fiction. Alleen aan de hoop, ultieme kern van de “utopische verbeelding', blijven we altijd vasthouden - omdat we nu eenmaal niet anders kunnen.

Deze Werdegang heeft iets tragisch, wat nogal ironisch is, aangezien de tragedie de volstrekte tegenpool vormt van de utopie. In de tragedie vinden we bij uitstek de ironie, de ambiguïteit en de contradictie, dat wil zeggen de haken en ogen die het leven zo weerbarstig maken en onze pogingen om het te beheersen zo vaak doen mislukken. Maar daarom zou de tragedie of liever het tragische levensbesef, ook wel eens heel geschikt kunnen zijn om het echec van de utopie te begrijpen.

Tragiek

Waar vinden we zo'n tragisch levensbesef? In De domesticatie van het noodlot houdt de Rotterdamse filosoof Jos de Mul er in elk geval een gloedvol pleidooi voor. Hij heeft daar veel woorden voor nodig, want alles wordt uitgelegd en geen zijpad wordt overgeslagen, maar zijn centrale these is moeilijk mis te verstaan. De hedendaagse tragiek en dus ook het tragische levensbesef moeten we zoeken bij de technologie. De ondertitel van zijn boek luidt niet voor niets: “De wedergeboorte van de tragedie uit de geest van de technologie'- een variatie op de titel van Niezsches debuut, waarin de geest van de “muziek' als zodanig werd aangewezen.

In de “transformatieve kracht' van de kunst gelooft De Mul niet meer, maar in de technologie ligt het tragische als het ware voor het oprapen: we vertrouwen op de door onszelf voortgebrachte techniek in “blinde hoop', zonder dat we in staat zijn haar volledig in de hand te houden, met allerlei onvoorziene en onbedoelde gevolgen als resultaat. Juist die combinatie van vrijheid en noodlottigheid maakt de techniek tragisch.

Natuurlijk zorgen rampen (De Mul behandelt als voorbeeld de Bijlmerramp) nog niet voor een tragisch levensbesef. De tragische houding is niet de enige die we tegenover het noodlot kunnen innemen, ten einde het te “temmen'. Je hebt daarnaast de “christelijke' houding (alles ligt in de hand van de Heer) en de “moderne' houding (natuur en noodlot zijn te beheersen). De laatste houding ligt ten grondslag aan wat Achterhuis de “technische utopie' noemt. Het prototype ervan is Bacons Het Nieuwe Atlantis (1626), waarin kennis en techniek voor het heil zorgen. Omdat veel van Bacons voorspellingen werkelijkheid zijn geworden, leven we nu in een “gerealiseerde utopie', aldus Achterhuis. Des te ironischer is het dat De Mul juist dáár de nieuwe “locus' van de tragiek situeert.

Hoe zou de tragische houding er tegenwoordig uit kunnen zien? Volgens De Mul is een klakkeloze herhaling van de “heroïsche' tragiek van de oude Grieken (die volgens Nietzsche aan de tragedie hun overwinning op de Perzen te danken hadden) niet wenselijk. De hedendaagse tragische houding, door hem “postmodern' genoemd, leidt niet tot heroïek, maar tot mededogen, solidariteit, pluralisme en - vooral - prudentie. Dit “tragisch humanisme' is kortom geknipt voor de multiculturele sociaal-democratie, al zou Nietzsche De Muls tragische humanisten ongetwijfeld tot zijn verachtelijke “laatste mensen' hebben gerekend.

Een voordeel is wel dat ze zich niet tegen de technologie keren, zoals zoveel moderne cultuurcritici (wier hoofdthema eveneens bestaat uit de noodlottigheid van de technische ontwikkeling) dat doen. Zoiets zou onzinnig zijn aangezien de mens van nature een “technisch' wezen is, legt De Mul uit aan de hand van onder meer Aischylos' Prometheus geketend en de koorzangen uit Sophokles' Antigone. Hij kan niet zonder technische middelen, verstoken als hij is van een natuurlijk “thuis'. Zo'n thuis zal hij daarom zelf moeten creëren - het begin van “s mensen technische overmoed én van alle tragiek.

Maar wat als het de technologie nu eens zou lukken om ons van onze tragische conditie te verlossen? Stel dat de belofte van de technische utopie helemáál uitkwam? Vooralsnog kan dat alleen in de science fiction of in de verder uiterst zwartgallige romans van Michel Houellebecq, die De Mul in zijn slothoofdstuk bespreekt. In Elementaire deeltjes blijkt de mensheid via genetische manipulatie te zijn gemuteerd tot godgelijke onsterfelijken - exit tragoedia. In Houellebecqs meest recente roman Mogelijkheid van een eiland daarentegen is het zover nog niet. Er komen wel gekloonde “nieuwe mensen' aan het woord, maar zij kijken met jaloezie en verlangen terug naar het lijden en het liefdesvermogen van de mens die ze achter zich hebben gelaten.

Voor de tragische humanist De Mul is dat geen wonder, want voor hem hebben lijden, toeval en noodlot deze - relatieve - zin dat ze óók het geluk en de intensiteit daarvan mogelijk maken. Dit samenspel van positief en negatief herinnert aan de klassieke theodicee, waarin het kwaad placht te worden gerechtvaardigheid omdat het nodig was om van goed tot beter en best te komen. Op grond daarvan kon Leibniz volhouden dat we, ondanks de aanwezigheid van het kwaad, toch echt in de beste van alle mogelijke werelden leven.

Jos de Mul kijkt wel uit om zover te gaan. Maar toch - opnieuw slaat de ironie toe - dankzij zijn ijver om haar salonfähig te maken, ontpopt de tragedie zich onder zijn pen niet alleen als een realistische eyeopener voor het tekort en de hardnekkigheid van de utopische verleiding, ook krijgt zij zelf een alleen maar utopisch te noemen aantrekkelijkheid. Weg tragiek.

Hans Achterhuis: Utopie. Ambo. 215 blz. 18,95.

Frederic Jameson: Archeologies of the Future. The Desire Called Utopia and other Science Fictions. Verso, 431 blz. 34,80.

Jos de Mul: De domesticatie van het noodlot. De wedergeboorte van de tragedie uit de geest van de technologie. Klement/Pelckmans. 335 blz. 23,50.

Jos de Mul: De domesticatie van het noodlot. De wedergeboorte van de tragedie uit de geest van de technologie. Klement/Pelckmans. 335 blz. € 23,50.