Dwaas lachen om de ernst

Voor een leraar klassieke talen op leeftijd met als bijnaam Mundus de Papyrus, op wie de verdenking rust dat hij “meer in oude teksten heeft geleefd dan in het leven', kan het geen kwaad eens een reisje te wagen. Het opschrift van Montaigne van Pascal Merciers (pseudoniem van Peter Bieri) in Duitsland gevierde roman Nachttrein naar Lissabon, rechtvaardigt een dergelijke onderneming ook: “Wij bestaan slechts uit bontgevlekte flarden die zo los met elkaar zijn verbonden dat elk ervan voortdurend fladdert zoals hij wil; daarom bestaan er evenzovele verschillen tussen ons en onszelf als tussen ons en de anderen.' Het probleem van dat menselijke gebrek aan substantie is dat we tijdens ons leven maar een beperkt aantal flarden stevig kunnen vastpakken.

Pascal Mercier Foto Wereldbibliotheek Wereldbibliotheek

Mundus de Papyrus, die Gregorius heet en in Bern woont, besluit in Merciers roman één van zijn halfvergane “zelven' na te jagen. Op een dag ontmoet hij een vrouw die een telefoonnummer op zijn hoofd schrijft. Een onverwachte gebeurtenis met radicale gevolgen. Gregorius raakt betoverd door haar stem. “Português', antwoordt zij op de vraag naar haar herkomst. Vierentwintig uur later zit de leraar klassieke talen in de trein naar Lissabon. Niet alleen wegens de mysterieuze Portugese, maar vooral op zoek naar de Portugese schrijver Amadeu de Prado, de auteur van een boek dat hij in een klein winkeltje heeft gevonden. De filosofische teksten dragen de sirenenzang “Português' voor Gregorius verder.

Eerder had de leraar met superieure distantie om zich heen gekeken; een intellectuele buitenstaander die het zich niet verwaardigde met iemand strijd te leveren, behalve met zichzelf. De reis naar Lissabon betekent voor Gregorius in de eerste plaats overgave. Hij legt zijn vroegere dédain voor uiterlijkheid af en schaft zich bij aankomst in de Portugese hoofdstad meteen een stel vlotte kleren en een nieuwe bril aan. Dit lijkt allemaal weinig subtiel, maar toch is de lezer geneigd te denken dat het leven van de gedistingeerde Gregorius inderdaad wel wat vitale kitsch kan gebruiken.

Om uit al zijn “zelven' wegwijs te worden, probeert Gregorius zich in Lissabon voor te stellen hoe het was om de gepassioneerde arts en verzetsstrijder Amadeu de Prado te zijn; er bestaat immers weinig verschil tussen “ons en onszelf' en “ons en de anderen'. Sterker nog, door naar een ander leven te luisteren wordt de verbeeldingskracht geprikkeld die nodig is om een idee van jezelf te ontwikkelen: “Het leven is niet het leven dat we leven; het is het leven dat we ons voorstellen te leven', aldus Prado. Hoewel Mercier dit personage heeft verzonnen, vertoont Prado in de zwaarmoedige eenzaamheid van zijn werk een sterke gelijkenis met Portugals bekendste dichter en schrijver Fernando Pessoa.

In Lissabon treft Gregorius niet Prado aan, die inmiddels blijkt te zijn gestorven, maar een versplinterde groep personages, die door de herinnering aan de briljante en ambivalente schrijver worden verbonden: een zuster voor wie de tijd heeft stilgestaan, een vroegere geliefde, een gemartelde verzetsstrijder zonder nagels en een loensende boezemvriend. Binnen het raamwerk van Prado's elegante zinnen schuifelt Gregorius voorzichtig het leven binnen. De tekst lijkt Gregorius dichterbij andere mensen te brengen - voor het eerst.

Het grootste verschil tussen Prado en Merciers hoofdpersoon is dat Gregorius niets opschrijft van zijn dilemma's en van de zelfinzichten die hij tijdens zijn reis verwerft. Die blijven voor een groot deel voor de lezer verborgen. De dynamiek tussen beide bestaat vooral uit de spanning tussen taal en stilte, wat voorkomt dat de roman aan een overschot aan filosofische redenering bezwijkt. Doordat Gregorius zich in de teksten van Prado herkent, kan hij nu zelf “woordeloos' zijn. De taal is hier geen literaire verschansing meer, maar heeft hem blootgelegd: een oudere man, zwalkend tussen melancholie en midlife-crisis in. Eindelijk ervaart de geleerde het leven met al zijn kitsch en kracht.

De absurditeit van Gregorius' onderneming verdwijnt in dit bijzonder helder geschreven boek niet. Een eindoordeel over de persoon Amadeu de Prado blijft uit. Gregorius is naar Lissabon vertrokken en heeft zijn distantie laten varen. “Tevergeefs', mompelt de leraar klassieke talen op een gegeven moment zomaar, over alles en niets, maar niet zonder inzicht. Wat verder overblijft? Het dwaze lachen om de ernst van het reizen.

Pascal Mercier: Nachttrein naar Lissabon. Vertaald uit het Duits door Gerda Meijerink. Wereldbibliotheek, 414 blz. 22,50

    • Merel Leeman