Die heerlijke geur van bruinkool

Piet de Moor reisde jarenlang door Midden-Europa en sprak er met talloze schrijvers over de geschiedenis van hun land. “Brussel is niet het centrum van Europa, dat is Boedapest of Praag“

Leven tussen hamer en aambeeld. Dat was volgens de Vlaamse journalist en schrijver Piet de Moor het lot van Midden-Europa in de twintigste eeuw. In zijn nieuwe boek Schemerland voert hij de Oekraïense schrijver Joeri Androechovitsj op als getuige: “Tussen Russen en Duitsers gekneld te zitten, dat is het historische lot van Midden-Europa. De Midden-Europese angst schommelt historisch tussen twee zorgen heen en weer: de Duitsers komen, de Russen komen. De Midden-Europese dood, dat is de dood in het kamp of in de gevangenis, een collectieve dood. Massamoord, zuiveringen. De Midden-Europese reis, dat is de vlucht. Maar vanwaar waar naartoe? Van de Russen naar de Duitsers? Of van de Duitsers naar de Russen?'

Piet de Moor (1950) ontdekte die wereld meer dan dertig jaar geleden, toen hij naar West-Berlijn trok om er aan de Freie Universität Nederlands te doceren. Hij raakte er verslaafd aan de geur van bruinkool, de gevels vol kogelinslagen, de plekken waar de nazi's hun moordzucht voorkookten. “Ik ben naar Berlijn gevlucht omdat het thuis zo benepen was“, zegt hij in zijn met literatuur gestoffeerde appartement in het dorp Laarne onder de rook van Gent. “De straat waarin ik woonde helde naar beneden en werd door de rivier geblokkeerd. Aan de ene kant stond de kerktoren, aan de andere kant de school waar mijn vader lesgaf. Als ik in de tuin speelde, kon hij alles zien wat ik deed. In Berlijn belandde ik opnieuw in een ommuurde omgeving, maar daar vond ik het fascinerend. Ik denk niet dat er iemand zo veel wandelingen langs de Muur heeft gemaakt als ik en er zo vaak overheen heeft gekeken. Al snel had ik geen oog meer voor de universiteit en ben ik gaan schrijven voor kranten en tijdschriften.“

Aan de andere kant van de Muur begon een onbekende wereld, een schemergebied. “Zo'n schemergebied - zoals de Fransen zeggen “entre chien et loup', tussen hond en wolf - stelt me in staat de dingen anders te zien. Als de contouren van iets niet duidelijk zijn, dan probeer je die uit te tekenen om er meer over te weten te komen. Vóór 1989 wisten we nauwelijks dat het gebied ten oosten van het IJzeren Gordijn bestond. Zij die er heen gingen, kwamen niet verder dan Praag. Die stad leek verder weg dan Wenen, hoewel het juist dichterbij ligt. En nog altijd is het voor ons een schemerachtig gebied, ook nu het bij de Europese Unie hoort. Weinig West-Europeanen zijn zich er tenslotte van bewust wat ze erbij gekregen hebben.“

Overblijfselen

Van Berlijn trok De Moor verder naar het midden en oosten van Europa, naar Polen, Hongarije, Oostenrijk, Rusland, de Balkan. Hij zocht er naar overblijfselen van een wereld die door nazi's en communisten genadeloos was vernietigd. Maar ook trachtte hij vat te krijgen op het naoorlogse leven onder de communistische dictatuur. Schrijvers als Franz Kafka, Stendhal, Agota Kristof, W.G. Sebald, Sandor Marai, Elias Canetti, Joseph Roth, György Konrad, Imre Kertesz, Ismaïl Kadare, Aleksandar Tisma, Danilo Kis, Claudio Magris, Marcel Reich-Ranicki en Sebastian Haffner hielpen hem daarbij. Hij las hun boeken en voorzover dat mogelijk was sprak hij met ze. En nu, na al die jaren, komen al die ervaringen bijeen in zijn verslavend mooie Schemerland. “Het is een opdracht van Czeslaw Milosz“, zegt hij. “Milosz vond het jammer dat de historicus, de socioloog, de journalist alleen in hun eigen discipline bezig zijn en niemand zich op die vakgebieden tegelijk begeeft. Toen ben ik dat gaan doen.“

Ondanks het feit dat de Midden-Europese landen nu lid zijn van de EU worden ze allesbehalve als gelijkwaardig behandeld, zoals het debat over de EU-subsidies vorig jaar bewees. Hoe komt dat toch? “Door de prestigestroom van west naar oost die altijd al heeft bestaan“, zegt hij. “In Tolstojs Anna Karenina vragen Levin en Oblonski tijdens een diner in een Moskous hotel aan de kelner wat hij hun kan aanbevelen. Die kelner antwoordt: “Helaas geen oesters uit Oostende, maar uit Flensburg.' Hoe westerser die oesters dus waren hoe beter. Precies dat gevoel van “we zijn altijd tweede keus' frustreert Midden-Europeanen. Mijn droom is dat dit ooit ophoudt. Brussel is tenslotte niet het centrum van Europa, maar Boedapest of Praag. Misschien zou de EU daarheen moeten verhuizen.“

In Schemerland speelt behalve literatuur en geschiedenis ook “sfeer' een grote rol. Dat bleek al uit De Moors Stalin-boek De gelaarse kat. “Ook dat beschouw ik als een opdracht van Milosz. In De geknechte geest schrijft hij over de verstikkende atmosfeer van angst en terreur die na 1945 bestond in steden als Boedapest, Praag en Warschau. Hij vindt het maar raar dat niemand daar ooit over heeft geschreven. Dat heb ik toen gedaan over Stalins Rusland.“

Iets over het leven laten zien, zoals nog niemand dat gedaan heeft. Dat is volgens De Moor wat een goede schrijver moet doen. “Pas dan is een boek de moeite waard. Milan Kundera schreef in Het doek dat het enige dat een romanschrijver nog kan doen is, om als het doek gevallen is, er een stuk uit te knippen.“

En daarmee zijn we beland bij De Moors grote held, de Hongaarse schrijver en Nobelprijswinnaar Imre Kertesz die in zijn roman Onbepaald door het lot het concentratiekamp beschreef als een idyllische omgeving. De Moor leerde Kertesz kennen toen deze nog een onbekende schrijver was die al 35 jaar in een appartement van 28 vierkante meter in Boedapest woonde. “Veel meer dan een tafel, een paar stoelen en een wastafel stonden er niet. Ik herinner me nog die onbeschrijflijke hitte, het zweet dat hij met een zakdoek van zijn gezicht wiste. Ik vroeg me af hoe hij in die hitte kon werken. Hij was blij met de artikelen die ik destijds over zijn werk geschreven had. In Hongarije was hij toen nog zo goed als onbekend, Zijn werk gold als een “Geheimtip'.

“Kertesz heeft zijn hele leven gewerkt zonder enige hoop, zonder te weten of zijn boeken ooit erkenning zouden krijgen. Vandaar zijn inzicht in het absurde van het bestaan. Het is een leven van taaiheid, van zwoegen. En dan heeft hij nog geluk gehad. Steven Spielberg had zo'n leven niet kunnen verzinnen: van niets naar de Nobelprijs.“

Samen met György Konrad vertegenwoordigt Kertesz in Schemerland bij uitstek de kosmopolitische Midden-Europese literatuur. Beiden tillen in hun autobiografische romans de werkelijkheid van de Tweede Wereldoorlog door middel van hun fantasie naar een hoger niveau. “Ze laten zien dat fantasie een hulpmiddel is om te overleven. Zoals Kertesz positief over het concentratiekamp schrijft, heeft niemand dat gedaan. Je kunt de kampen niet ruiken, niet horen, je kunt ze hoogstens in films zien. Ze moeten dus op een andere, fictieve manier worden voorgesteld om te kunnen voelen hoe het er echt is geweest.“

De Midden-Europese schrijvers die De Moor in Schemerland opvoert, zijn vrijwel allemaal joden. Is er sprake van een onlosmakelijk verband? “Hun literatuur gaat over een wereld die verloren is gegaan“, zegt hij. “En hun joods-zijn heeft daar wel degelijk iets mee te maken. In het Midden-Europa van voor de oorlog reageerden joden vanuit hun bedreigde positie altijd heel sensibel op de wereld om hen heen. Ze slaagden er bovendien nooit echt in te assimileren. De Poolse schrijver Witold Gombrowicz heeft daar schitterend over geschreven: een geassimileerde jood zit in een hotel in Warschau als er plotseling een arm familielid uit de shtetl langskomt om hem luidruchtig goedendag te zeggen. Daarmee wordt die hele assimilatie aan stukken gegooid. Je ziet die joodse hotelgast denken “ja ik ben er niet', als hij aan zijn achtergrond wordt herinnerd.

“Er bestaat een verschil tussen zijn “ik' en degene die hij wil zijn. En juist dat maakt hem zo waakzaam voor het gevaar dat altijd op de loer ligt. Daardoor is hij nieuwsgierig, gaat hij op reis en wil hij alles over de wereld weten. Ik wil die die tijd niet idealiseren, maar die geassimileerde joden vormden voor de Tweede Wereldoorlog een cultureel web dat heel Europa bestreek. Ze spraken Duits of Jiddisch, waardoor ze overal met elkaar konden communiceren. Duits was de lingua franca van Europa. Door hun verdwijnen is alle kleur uit Midden-Europa weggenomen.“

Groepsgevoel

Een van De Moors favoriete chroniqueurs van Midden-Europa in het interbellum is de Oostenrijks-joodse schrijver Joseph Roth (1894-1939). “Roth was zeer kritisch over de Habsburgse monarchie, maar maakte er tegelijkertijd een mythe van waarmee hij Oostenrijk afzette tegen Duitsland. In een van zijn verhalen zegt hij: “Ik ben gewend in een huis met vele kamers te wonen, en niet in een celletje zoals nu.' Hij had net zo'n scherpe neus voor het kwaad van de nazi's als Sebastian Haffner.

“Keizer Frans Jozef was de enige Oostenrijker die geen antisemiet was. Hij zorgde ervoor dat de joden het goed hadden. Als geen ander beschrijft Roth hoe iedereen in dat rijk bij de elite wilde horen en op de keizer wilde lijken. Het is een groepsgevoel dat versterkt wordt door het feit dat je anderen elimineert, zij die er niet bij mogen horen. Zulke dingen verraden veel over de mens, over zijn mentaliteit, over wat zich in zijn hoofd afspeelt. Dat heb ik geleerd van Haffner, die over de nazi-tijd zegt: “Als je in de jaren dertig ziet dat iemand over een moord spreekt als over een kwajongensstreek, dan is dat verkeerd, dan moeten je maken dat je wegkomt.' “

Duitsland is als geen ander land verantwoordelijk voor de vernietiging van de Midden-Europese cultuur. Bij het zoeken naar de oorzaken van die Duitse ontsporing voert De Moor literatuurpaus Marcel Reich-Ranicki op, die in 1928 als achtjarig jongetje met zijn ouders uit Polen naar de Weimar-republiek emigreerde en er geschokt was door de lijfstraffen die op school werden uitgedeeld. Reich-Ranicki noemt het tegenover De Moor de angst voor de knuppel, die in Duitsland altijd heeft bestaan en ervoor heeft gezorgd dat de Verlichting er is mislukt. “En dan is er ook nog de macht zoals Canetti die beschrijft“, zegt De Moor, “de macht als verleiding, de macht die doorsijpelt van hoog naar laag, het gevoel macht te kunnen uitoefenen en dat te ervaren als iets verantwoords. Ik heb daar niets op tegen hoor, al heb ik het zelf liever over “gezag'. Dat woord heeft een andere bijklank, omdat alle macht moet steunen op moreel gezag en niet op dwang. In Duitsland heeft men die dingen verward. Maar het perverse genot naar boven te kunnen likken en naar beneden te trappen zit in iedereen, al heeft het zich in de Duitstalige wereld op een bijzondere manier gemanifesteerd.“

Bestaat “De Duitser' dan toch? “Duitsers zijn grote acteurs. Ze willen zich altijd grootburgerlijker voordoen dan ze zijn en laten tot het bittere einde hun maskers niet vallen. Maar alle mensen dragen maskers en doen zich anders voor dan ze werkelijk zijn. Het oplichten van een tipje van die maskers is wat goede schrijvers doen. György Konrad zegt dat een mens iemand is met vele kamers. De meeste mensen blijven echter alleen maar in één kamer of in de keuken zitten zonder eens naar die andere ruimten in zichzelf te kijken. Dat is ook een kwestie van opvoeding. In jezelf is er veel meer dan je vermoedt.

“Door literatuur te lezen kun je meer over de wereld te weten komen. Mensen die zeggen dat literatuur amusement is, kunnen niet lezen. Literatuur staat niet buiten het leven, maar is gewoon onderdeel van de dingen waarmee we bezig zijn. Boeken maken deel uit van onze verbeelding, van wat we dromen, en dat hoort toch ook bij de realiteit. Zelf verbaas ik me altijd over de consequenties van het bezig zijn met literatuur. In combinatie met mijn interesse voor politiek en journalistiek heeft die literatuur er tenslotte voor gezorgd dat ik in 1973 naar Berlijn ben gegaan. Anders was ik gewoon leraar geweest.“

Piet de Moor, “Schemerland. Stemmen uit Midden-Europa', uitg. Van Gennep, 22,50

    • Michel Krielaars