“Dichten is koud en precies werk'

Mark Boog schreef “De encyclopedie van de grote woorden' en kreeg daarvoor de VSB-Prijs. Alleen goede woorden zijn zo sterk dat ze een cliché kunnen worden, zegt hij. “Ik wilde de woorden schoonspoelen en ze opnieuw laden.'

Mark Boog Houten, 01-05-06 © Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

Grote woorden een taboe? Mark Boog laat zich niks wijs maken. “Die verlegenheid met grote woorden is aangeleerd. Er bestaan geen verboden woorden, alleen clichés of woorden die hol zijn geworden, omdat er zoveel aan vastzit.“ Die overtuiging zette hij om in een dichtbundel, De encyclopedie van de grote woorden. Met succes, want vorige week vrijdag ontving Boog (1970) de VSB Poëzieprijs 2006, de onderscheiding voor de beste bundel van het afgelopen jaar. Liefde, Dood, Tijd, Ziel, Waarheid: 64 keer wekte Boog een doodgeschreven begrip tot leven.

Voordat hij daartoe besloot, liep hij jarenlang rond met het idee, publiceerde probeersels op zijn website en wachtte reacties van vrienden af. De eerste aanzet was gegeven door recensies van zijn eerste roman, De vuistslag, in 2001. Boog: “Critici schreven dat ik niet bang was grote woorden te gebruiken. Ik wist niet dat je daar bang voor kon zijn. Ja, met grote woorden moet je oppassen, maar dat moet je met alle woorden.“

Met het woord “inspiratie' bijvoorbeeld. “Dat is een hele erge. Schoonheid ook, dat betekent niets meer, op zijn best iets als “leuk'. Ik wilde die woorden schoonspoelen en opnieuw laden. Het is toch zonde als je ze niet kunt gebruiken, want het zijn goede woorden. Alleen goede woorden zijn zo sterk dat ze in clichés veranderen.“

Zijn pretentie was niet de betekenis van bepaalde woorden te doen kantelen. “Als dat al zou lukken, zou de betekenis snel weer terug kantelen. Wat ik heb vermeden, is simpelweg het omgekeerde te beweren. Over liefde kan je iets vals zeggen en dan ben je klaar. Dat was te makkelijk geweest.“ Hij besloot alle woorden serieus te nemen. “Geen definities uit het woordenboek overnemen, geen grappen maken. Dat zou ten koste gaan van de spanningsboog in de bundel. Over “Lijden' bijvoorbeeld schreef ik dat het een dagtaak was. “Half negen, opstaan: Lijden.' Best een komisch gedicht uiteindelijk, maar het viel volledig uit de toon. Toen heb ik een nieuw gedicht geschreven.“

Een van de manieren die Boog hanteert om grote woorden van hun ballast te ontdoen is ze benaderen als een ding. In De encyclopedie gaat verdriet in een doosje en is waanzin een huis (“Trap de deuren in en woon.') Het “verdingen' van abstracties is op zich een beproefde methode, maar Boog voert hem tot het uiterste door. Zoals in het gedicht “Geluk', dat begint met de regels: “Geluk is overkomelijk. Men plaatst het in een vitrine en gaat aan het werk.' Het geluk wordt “beschaafd verlicht tentoongesteld'. Boog: “Geluk bestaat ook alleen buiten jezelf. Geluk is een roes. Als je de roes registreert, is het pure geluk weg.“

Effecten

Voor Boog is “verdinging' meer een filosofie dan een methode. “De schoonheid van de beker kan los van de beker bestaan. Als je er maar goed genoeg naar kijkt en diep genoeg over nadenkt, dan krijg je dat soort effecten.“ Helemaal geslaagd is het effect als de lezer het gevoel krijgt de schoonheid te kunnen vastpakken. “Dat is misschien wel het criterium voor een goed gedicht.“

Lijden als dagtaak, geluk is overkomelijk: het zal de lezer van zijn debuut Alsof er iets gebeurt bekend voorkomen. In die bundel presenteerde de auteur zich als een Werther van de buitenwijk. Van een wurgende benauwdheid zijn de gedichten over een man en vrouw die opgesloten lijken in hun woning. Het ging Boog om “een onbestemde dreiging rondom het veilige huis. Een huis dat natuurlijk helemaal niet veilig is. Er moest wel iets mis gaan, wat dan ook.“ Het is een niet aflatende paniek die bezworen dient te worden. Waar dat gevoel vandaan komt, kan Boog niet zeggen. “De dreiging is zo onbestemd dat ik hem niet kan wegredeneren. Het is mijn aard, ik ben enigszins somber. Ik geloof ook niet dat mijn gedichten sindsdien vrolijker zijn geworden.“

Zeker niet. De encyclopedie staat vol regels als “Het leven slijpt de dood', “Het betonblok dat ik ben aan eigen been' en “De zinloosheid bespeelt de dag als de bijl het bos.' Niet dat zijn leven zo vervelend is. Objectief gezien heeft hij het goed, benadrukt de dichter. “Mijn poëzie is geen dagboek. Ik houd ook van deprimerende muziek en literatuur. Daar heb ik zelfs plezier in. Ach, het leven zou maar zin hebben, dan kon je nog falen ook.“

Die laatste uitspraak typeert de relativerende toon van Boog en zijn poëzie. Zijn illusieloosheid is doordesemd van ironie, de afgrondelijkheid wordt laconiek gebracht. Zo begint het gedicht “Vergankelijkheid' met: “Als u dit leest - u behoort tot de levenden,/ een twijfelachtig genoegen'. Het is zijn tweede natuur. “Relativeren? Altijd, alles, onmiddellijk.“

Lijden moet je niet te serieus nemen. “Dat is aanstellerij“. Net als doodsverlangen. “Doodsverlangen is een vorm van valse romantiek, koketterie.“ Wat hem helpt is schrijven en redeneren. “Alles is zinloos en eindig, maar dat is niet erg, eigenlijk. Als we dan zin vinden, is het in de zinloosheid. Dat vind ik ook echt. Daarover wil ik hard, grof en genadeloos spreken, zo allerdiepst zwart mogelijk. Zoals Pessoa het zegt: “Geef me nog wat wijn, want het leven is niets.'“ Hij citeert die Pessoa-regel in zijn gedicht “Niets'. “Daar zit de troost in, in de wijn en in die mooie zin.“

Hij houdt van mooie zinnen. “Brede, vloeiende regels moeten het zijn, die tegelijk weerbarstig en onaf genoeg blijven om spannend te zijn. Niet te staccato, geen verminking van de grammatica. Lyrisch, maar niet te zoetgevooisd. Ik schrijf op de melodie. De betekenis van de woorden is ook van belang. Ik ben niet van de theorie die zegt dat vorm alles is en inhoud inwisselbaar.“ Moet een mooie zin de lezer iets zeggen? “De zin moet stellig zijn. Te veel aarzeling is vervelend. Vroeger vroeg ik me af of een bewering waar was. Dat doe ik niet meer. Ik mag best opinies formuleren waar ik niet achter sta.“

De laatste zin van het gedicht “Liefde' beschouwt hij als de mooiste van De encyclopedie: “Spreek me aan, want ik zwijg,/ verdraag mijn wurggreep, verdraag/ de onbeholpenheid, verdraag mij, liefde.' Hij schrijft zijn gedichten op “uiterlijk“ en daarom op de computer, die overzicht biedt. “Ik kan in één klap zien of het gedicht goed is. Soms kan ik een gedicht redden door een woordje naar de volgende regel te schuiven.“

Van sommige lemma's valt af te lezen dat Boog er affiniteit mee heeft. Met God en Geloof lijkt de dichter niet veel te kunnen. “Geloof' begint met: “Ik geloof/ te zijn.' De dichter draait meteen weg van het onderwerp. “Ik wil niet de betekenis van woorden geven, dus kies ik een andere invalshoek. Mensen zijn religieus van aard, al zijn ze ongelovig. Ik probeer uit te vinden hoe dat zit.“ In zijn vorige bundel zat een eigen versie van het Hooglied en soms schrijft hij religieuze gedichten, zegt Boog. “Ik heb alleen geen God om ze aan op te dragen.“ Hij weet niet waar die fascinatie vandaan komt. “Waarom zijn religieuze teksten mooi? Waarom is het zo'n genot om de bijbel te lezen? Geloven is een diep-menselijke behoefte.“

Drift

Net als poëzie, dat in het gelijknamige lemma “taal der drift' wordt genoemd. “Dat is de eerste definitie die het grote Woordenboek der Nederlandse Taal, het WNT, geeft van poëzie. Dat kon ik niet laten liggen.“ Niet dat het klopt. “Poëzie schrijven is een kille, precieze bezigheid.“ Een bezigheid waarbij woordenboeken en internet hem van dienst waren. “Het is met schrijven als met het pellen van een mandarijn: het gaat om een beginnetje. Als er al inspiratie bestaat, dan komt die uit de eerste zin. Die gooi ik dan ook vaak weg. Anders ga je maar zitten wachten. Je kan beter wat doen.“

Schrijven heeft voor Boog niets van doen met de literaire wereld. Hij is een buitenstaander. “Omdat ik in Utrecht woonde, moest ik steeds uitleggen dat ik niet bij die Utrechtse groep schrijvers rond Giphart hoorde. Ik ben niet tegen ze, maar ik blijf liever ver van groepen.“

Die houding bevordert zijn onbevangenheid. In De encyclopedie toont Boog ook al geen ontzag voor een ander formidabel taboe in de letteren: de woordspeling. In “Toeval': “Wat ons toevalt, is voor ons bedoeld'; in “Wijsheid': “met niets tevreden te zijn, want niets is er genoeg'. In “Schande', dat begint met “Die zich te schande maakt is koning' en eindigt met “Hij heeft veel gedaan dat hem in dank wordt afgenomen.' Daar spreekt toch woordspelig plezier uit? Boog: “Jawel, maar voor de woordspeling ben ik toch huiverig. Maar het is onzin hem te verbieden en als hij leuk is laat ik hem staan.“ Ook met woordspelingen moet je oppassen. “Het gaat mis als er nadruk wordt gelegd op hoe betekenisvol de woordspeling is. Dat is heel vervelend. Zelf vind ik de eerste regel van “Zonde' een goede: “Erger dan zonde: zonder/ zonde te zijn.' Zonde-zonder is niet te opzichtig. Daar kan ik om lachen.“

    • Ron Rijghard