De schilder die zijn hart op het doek smeet

Karel Appel, die woensdag in Zürich op 85-jarige leeftijd is overleden, was een schilder zoals veel mensen dat graag zien. Hij was de meester van de grote geste, de viriele kunstenaar met borstelsnor bij wie de verf door de aderen stroomde en die de zinderingen van zijn grote hart rechtstreeks op zijn doeken smeet - grote doeken vanzelfsprekend, in felle kleuren en met brede halen. Geen piekeraar maar een doener, een schilderbeest, die meer dan tienduizend kunstwerken heeft gemaakt, en daar wereldfaam mee verwierf. Appel was een van de grootste Nederlandse kunstenaars van na de Tweede Wereldoorlog. Zijn overlijden is gisteravond bekendgemaakt.

Vooral zijn zogenaamd naïeve doeken, die ontstonden in de periode tussen 1946 en 1955, horen tot het beste wat er in de vorige eeuw in Nederland is gemaakt - zo vitaal, zo krachtig en confronterend is er zelden geschilderd. Daarmee droegen ze ook onvermijdelijk bij aan wat je de `Appel-mythe` zou kunnen noemen; het feit dat een “eenvoudige kapperszoon uit de Amsterdamse Dapperstraat“ vrijwel zonder opleiding aan de lopende band moderne meesterwerken uit zijn mouw schudde, bevestigde achteraf het idee dat Appel een schilderkunstige oerkracht vertegenwoordigde.

Die mythe en zijn kunstenaarschap raakten langzaam zozeer met elkaar vergroeid dat Appels werk boven alle intellectuele bespiegelingen verheven raakte. Tegelijk bezorgde die roem hem ook last: vanaf de jaren zeventig leek het publiek niet meer werkelijk naar zijn werk te kijken, maar zocht louter naar de mythe van het schilderbeest.

Zelf probeerde Appel aan die mythe te ontkomen door zichzelf consequent als een buitenstaander te typeren. De kiem voor dat buitenstaanderschap werd gelegd in zijn jeugd, toen al vroeg bleek dat Karel, geboren op 25 april 1921, artistieke ambities had. Dat werd niet gewaardeerd in het kappersgezin. Volgens de biografie die Cathérine van Houts in 2000 over hem publiceerde, was Karel, `Kik`, een eenzelvig kind, dat het liefst zat te dromen tussen de boterbloemen op de Ringvaartdijk - en maar kijken, naar de boten, naar de bloemen en de passanten. Naar eigen zeggen wist Appel altijd al dat hij schilder zou worden. Hij tekende en knutselde al vanaf zijn vroege jeugd en schilderde vanaf zijn veertiende; op zijn vijftiende kreeg hij van een oom een schilderkist. Maar zijn vader zag hem liever werken in de zaak. In dit klassieke vader-zoon conflict delfde de zoon het onderspit: in 1939 werd hij door zijn vader het huis uitgegooid.

Het conflict sterkte de jonge Appel alleen maar in zijn artistieke ambitie. Die werd fanatiek, op het verbetene af. [Vervolg KAREL APPEL: pagina 15]

KAREL APPEL

`Voor mij is een tube verf een raket`

[Vervolg van pagina 1] Juist dit fanatisme voert hij later nog vaak op als de grote drijfveer achter zijn werk en handelen. Als in 1990 uit onderzoek van Adriaan Venema blijkt dat Appel, weliswaar tamelijk oppervlakkig, in de oorlog flirtte met de Duitse bezetter, meldt hij als excuus dat hij “niet anders kon“. In 1942 werkt Appel een jaar op een beurs van het door de Duitsers ingestelde Departement van Volksvoorlichting en Kunsten en later schrijft hij een aantal brieven aan de prominente nazi-kunstenaar Ed. Gerdes, met onder andere het verzoek hem te helpen met materiaal en het vinden van een werkruimte.

Aan de andere kant is dat fanatisme, op het eenzelvige af, in de beginjaren Appels grote kracht. Na de Tweede Wereldoorlog helpt dat hem bij het vinden van zijn stijl, aanvankelijk nog beïnvloed door Picasso en Schwitters, maar al snel volkomen eigen, zij het dat hij zich weet gesteund door vrienden als Corneille en later Constant. Met hen en onder anderen Anton Rooskens en Theo Wolvecamp richtte Appel in 1948 de Experimentele Groep Holland op, die later, als onder anderen de Deen Asger Jorn en de Belg Christian Dotremont erbij komen, overgaat in CoBrA - zonder twijfel de belangrijkste mede-Nederlandse avant-gardebeweging van na de Tweede Wereldoorlog. Cobra vertegenwoordigde de Europese variant op het nieuwe artistieke elan na de Tweede Wereldoorlog; kunstenaars verlangden naar een nieuwe toekomst en juist de heldere, kleurige en toch confronterende Cobra-beelden konden die uitstekend bieden.

In die tijd heeft Appel definitief zijn vorm gevonden; hij laat zich graag inspireren door primitieve kunst en de verbeelding van kinderen, en weet, juist door zich los te maken van iedere vorm van intellectualisme, in zijn werk een enorme vrijheid te bereiken. Dat komt in zijn schilderijen naar voren in de heldere vormen, de vrolijke kleuren en de schijnbaar naïeve composities - al valt in retrospectief goed te zien hoezeer er een vaardige schildershand nodig is om deze composities zo uitgebalanceerd te `vernaïeven`. Nog extremer en `primitiever` zijn Appels beelden. Beroemd is een van de eerste die hij ooit maakte: Drift op zolder (1947) waarin onder andere een stuk stofzuigerslang wat ijzeren haken en een oud luik zijn verwerkt.

Appel heeft op dat moment al een behoorlijke reputatie opgebouwd als kunstvernieuwer en burgerschreck. Dat beeld wordt versterkt als hij de opdracht krijgt een wandschildering te maken voor de koffiekamer van het Amsterdamse stadhuis. De schildering, Vragende kinderen, is achteraf gezien een ingehouden Cobra-compositie in blauw, geel en wit, maar veroorzaakt in 1949 zoveel opschudding onder de lunchende ambtenaren dat het werk met de witkwast wordt weggewerkt.

Vanaf dan gaat het hard met Appel. Hij vertrekt in 1950 naar Parijs, en ontmoet de invloedrijke criticus Michel Tapiés, die hem later zal voorstellen aan de Amerikaanse galeriehouder Martha Jackson. In 1953 krijgt Appel een groot overzicht in Brussel, in 1954 wint hij de Unesco-prijs op de Biennale van Venetië en in 1959 de internationale prijs voor schilderkunst op de Biennale van Sao Paulo.

Ook in Nederland neemt vanaf die jaren de waardering toe. Al in 1951 heeft hij de zogenaamde `Appelbar` in het Stedelijk Museum geschilderd, waarop in 1956 de opdracht volgt voor een muurschildering in het museumrestaurant. In 1961 maakt Jan Vrijman de roemruchte film De werkelijkheid van Karel Appel. Als hij tegen diezelfde Vrijman later dat jaar de beroemdste uitspraak uit de geschiedenis van de Nederlandse beeldende kunst laat vallen (“Ik rotzooi maar wat an“) zijn de fundamenten voor de Appel-mythe definitief gelegd.

Terwijl zijn werk vanaf het begin van de jaren zeventig steeds minder grimmig wordt, wordt Appel de eerste moderne Nederlandse museale kunstenaar die het schopt tot celebrity, inclusief koninklijke ontvangsten, een eigen beeld in Madame Tussaud en prominente verschijningen op Henk van der Meydens Privé-pagina in de Telegraaf. Hij blijft ook pakkende oneliners produceren als “Voor mij is een tube verf een raket“ of “Ik schilder niet, ik sla.“

Appel slaagt er zo goed in zijn imago te cultiveren dat het, zoals hij langzaam ook zelf beseft, zich tegen hem keert: hij moet in toenemende mate het gevoel hebben gehad dat veel mensen hem prezen om de verkeerde redenen. Veel moderne kopers waarderen Appel om zijn wilde imago en zijn werk om haar decoratieve kwaliteiten, terwijl Appel zichzelf als serieuze museale kunstenaar wil blijven beschouwen. Tegelijk refereren kunstkenners vanaf de jaren zestig steeds aan zijn werk uit het verleden, terwijl hij ze juist zijn doeken uit het heden wil laten zien. Zo is Appel decennialang beroemd, maar onbegrepen, al krijgen zijn verhalen over miskenning en buitenstaanderschap bij vlagen iets potsierlijks.

Toch blijft Appels faam als schilder zo groot dat zijn nieuwe werk regelmatig in musea wordt getoond, zodat zijn liefhebbers zijn ontwikkelingen kunnen blijven volgen. In de jaren tachtig en negentig probeert Appel nog verscheidene nieuwe vormen uit - voorstellingen op een zwarte achtergrond, doeken met verhalende voorstellingen, veel beelden, en schilderijen waarbij hij, verwijzend naar het late werk van Van Gogh, de mogelijkheden van de brede, ruwe schilderstoets onderzoekt. Maar hoezeer ze ook met een onmiskenbaar groot talent zijn geschilderd, ze hebben niet de impact van zijn vroege werk.

Tegelijk wordt ook duidelijk dat Appel weinig serieuze navolgers kent - niet alleen omdat maar weinig schilders zoveel energie kunnen opbrengen als hij, maar ook omdat de jonge kunstenaars die zijn stijl imiteren, vooral snel aansluiting bij het society-circuit lijken te zoeken.

Voor Appel moet het een dubieuze eer zijn geweest: hij was beroemd, werd gevierd, maar de inhoudelijke aandacht voor zijn werk raakte langzaam op de achtergrond. Misschien is dit dan ook het beste wat je zijn nagedachtenis kunt toewensen: dat, nu Appel zelf is gestorven, de mythe op de achtergrond raakt en er steeds meer en beter en intenser naar zijn werk zal worden gekeken.

Dat verdient de nagedachtenis van Karel Appel. Dat verdienen zijn schilderijen.

De Vara herhaalt vanavond het portret dat Sonja Barend van Karel Appel maakte. Ned.3, 21.05 uur

    • Hans den Hartog Jager