Bevrijding

Op de Veluwe was de winter van 1944-1945 stil en eentonig. Als de Engelse bevrijders komen, plaatsen de Duitsers eerst nog een kanon in de tuin.

De zomer van 1944, de geallieerden waren in Frankrijk geland, was mooi en lang. Hij duurde nog voort toen de school weer begon. Op de eerste zaterdagmiddag kwamen de leerlingen in het gymnastieklokaal bijeen om een nieuw bestuur van de Gymnasiastenbond te kiezen. De kandidaten moesten buiten op de gang wachten. Toen we weer naar binnen mochten, werd het gymnasiastenlied aangeheven en was ik zo maar tot voorzitter verkozen. Terwijl ik naar huis fietste, bedacht ik allerlei verbeteringen die ik zou invoeren.

Ik zou de school pas tien maanden later terugzien. Onmiddellijk na die onverwachte uitverkiezing werd mijn leven in hoog tempo ontregeld door allerlei bedreigingen. Ik zat een tijd thuis om niet te worden opgepakt, ik moest loopgraven helpen aanleggen, wij werden tweemaal uit ons huis gezet. Daarmee was de maat voor mijn moeder vol. We vluchtten naar de Veluwe, waar we die winter zijn gebleven.

We woonden even buiten het dorp, bij het Zwarte Bos, aan de doorgaande weg. Een paar kilometer verderop lag de Driesprong en daarachter Apeldoorn, een onbereikbaar verre metropool. Afgezien van een enkele schuwe reiziger in de berm was er overdag nauwelijks verkeer. Alles wat op de weg bewoog, trok jachtvliegtuigen aan, die uit het niets opdoken, als meeuwen op een korst brood.

Als het donker werd, klopten soms voorbijgangers aan om onderdak - een Duitse militair in vol ornaat, mensen die op voedsel uit waren geweest met een zwaar beladen fiets, een gedroste landwachter op weg naar huis.

Het was een stil en eentonig bestaan. Ik werkte als tuinjongen op een kwekerij. Iedere morgen haalde ik voor mijn moeder bij de pomp van de naburige boerderij water en daarna ging ik door het bos naar mijn werk. 's Avonds bleef ik thuis.

Toen ik loopgraven moest aanleggen was er een stempel van de Organisation Todt in mijn persoonsbewijs geplaatst. Voor we naar de Veluwe vertrokken, had mijn moeder het boven de gootsteen verbrand. De dorpsveldwachter schreef mijn aangifte van vermissing met een kroontjespen op en plaatste een groot rond stempel over zijn handtekening. Ik heb dit document éénmaal gebruikt, met succes, toen ik op weg naar de kwekerij in de ochtendmist door soldaten met helm en geweer werd aangehouden. Maar zij zochten naar Amerikaanse vliegeniers, en je kon zó wel zien dat ik dat niet was.

Eindelijk begonnen de dagen te lengen. Op een avond zat ik boven naar buiten te kijken, een eindje achter het half open raam om niet op te vallen. De stilte werd verstoord door een kleine auto, die het bospad een eindje opreed. Een soldaat stapte uit en verdween in de bosjes, vermoedelijk bewogen door een natuurlijke behoefte. De bestuurder knipte een plafondlampje aan, haalde een nagelvijl te voorschijn, en wijdde zich met veel aandacht aan de verzorging van zijn handen. Toen zijn kameraad terugkwam en dit zag verviel hij in heimelijk sluipen tot hij vlakbij de auto was. Daar loste hij enkele pistoolschoten in de lucht, en las zijn geschrokken collega op luide toon de les. Hij sprak hem sarcastisch aan als Herr Kapellmeister, en zei dat het hier geen manicuresalon was maar Kampflinie - und die Tommies sind schon am Driesprong. Even later waren zij vertrokken.

Ik had alles goed kunnen volgen. Het was groot nieuws dat de Engelsen al zo dichtbij waren, en ik kon van opwinding niet slapen. Maar de volgende morgen verschenen de twee Duitsers opnieuw. Ze kondigden aan dat we direct moesten vertrekken, omdat zij een kanon in onze tuin zouden plaatsen. Pas een dag later konden we terugkeren. Het Engelse leger trok aan beide zijden van de weg in single file op, weinig krijgshaftig ogend met de platte schotels die ze als helm droegen. Het kanon was al weer weg. Alle deuren en ramen van het huis stonden open.

Binnen ontbrak niets; de bezoekers hadden zelfs nog wat achtergelaten, Komiszbrot, een grote kluit knalgele margarine. Er was ook een natte plek op het tapijt, waar een buurvrouw bloedvlekken zou hebben uitgewist. Maar gesneuvelden worden in de oorlog als de bliksem opgeruimd, nog sneller dan de autowrakken na een kettingbotsing. Ik heb er het fijne nooit van vernomen. Misschien was er een Duitser gesneuveld, misschien zou over een paar dagen in een verre stad de postbode het fatale bericht bezorgen en een gezin in rouw en verdriet dompelen.

Maar daar hielden we ons niet mee bezig. De oorlog was voorbij, van nu af aan zou alles alleen maar beter worden, en daar konden we haast niet op wachten.

    • Sam Koek