Nu zijn ze oud

Tante Nel van 95 praat bijna nooit over vroeger. Haar zus Dien van 78 grijpt elke gelegenheid aan om over de oorlog te beginnen.

'Pak jij ook een stoel Fred, wil je koffie?'

Beide tantes hebben een heel lang en bewogen leven achter de rug. Nu zijn ze oud. Ze zitten voor het raam van de flat en kijken naar buiten. 'Daar heb je die donkere met die helm weer.'

'Ja die heeft er wel kijk op.'

'Zie je hoe hij aanwijzingen geeft aan die man met de planken?'

In twee stoelen voor het raam zitten ze elke dag, veertien dagen lang, tot mijn vriendin terugkomt van haar vakantie in Drenthe. Ze passen op de poezen. Buiten komen ze niet. De trappen zijn te bezwaarlijk voor hun zwakke benen.

'Daar komt een vrachtauto met betonnen stukken, let op de hijskraan.'

'Kijk, Mien met het groene jasje.'

'Waar?'

'Hier beneden op de stoep. Ik heb precies zo'n jasje. Zie je hoe ze loopt?'

Vrachtwagens rijden af en aan. Heipalen worden gebracht, betonnen elementen worden afgeladen. In het flatje staan twee makkelijke stoelen voor het raam. In de ene stoel zit tante Nel van 95 jaar oud. De andere stoel wordt bezet door haar jongere zus van 78. Tante Nel praat bijna nooit over vroeger, haar zus doet niets liever. En het liefst praat ze over de oorlog.

Ze grijpt elk gespreksonderwerp aan om het om te buigen naar de Tweede Wereldoorlog. Je kan het over brood hebben, over het weer, over een hond en heel knap komt dan na een klein aanloopje: 'Toen moesten we schuilen voor het bombardement in het ruim van een schip op de scheepswerf. Daar hebben we dagenlang gezeten. Dat was heel angstig hoor.'

Nu moet ik haar snel op een ander onderwerp krijgen, bedenk ik, maar het is al te laat.

'Heeft u nog boodschappen nodig?'

'Nee, joh, we hebben van alles in huis, dat was in de oorlog anders, toen leden de mensen honger.'

Te laat.

'Jullie hadden het zeker ook moeilijk', zegt ze. 'Ach', zeg ik.

'Het was voor je moeder zeker niet makkelijk.'

'Ze was alleen met twee kleine kinderen', zeg ik, 'ik lag op sterven in de hongerwinter en mijn vader zat drie jaar lang gevangen in Stalag IVB in Duitsland. Toen hij na de bevrijding terugkwam, had hij een vrolijke verpleegster bij zich.'

'Ach, dat moedertje!'

Ik vertel haar niet dat wij de verpleegster leuker vonden dan het geklaag van mijn moeder die steeds maar huilde. We noemden de verpleegster 'tante'.

'Wat zal ze een verdriet gehad hebben, dat arme moedertje.'

Nu moet ik snel weg. Ik vertel haar niet dat mijn vader een flesje whisky had meegenomen om, zoals hij zei, 'het gezellig te maken'.

'De hond moet uit', zeg ik.

Onwillekeurig denk ik aan mijn vader, die drie jaar lang de Russische dokter in dat gevangenenkamp moest helpen met opereren onder erbarmelijke omstandigheden, omdat hij een EHBO-diploma had.

'En is hij bij je moeder teruggekomen?'

'Nee', zeg ik, 'maar veel plezier heeft hij niet gehad van de verpleegster want na vier jaar overleed ze aan kanker.'

'En toen is hij weer bij je moeder teruggekomen?'

Nee, zeg ik, want hij vond een nieuwe vrouw in Indonesië. Daar waren we wel blij mee, want die zorgde dat we eindelijk de alimentatie op tijd kregen.

'Ach dat moedertje, wat zal ze het moeilijk hebben gehad.'

'Ze had het niet makkelijk.'

'Dien, moet je kijken', roept tante Nel, die nooit luistert als het over de oorlog gaat, 'daar heb je die kale kerel weer.'

Ik ben gered.

'Wat zou hij toch doen?' zegt tante Nel, 'Hij staat maar te kijken bij dat gat. Dat deed hij gisteren ook.'

'Heeft hij er iets in laten vallen?'

'Kijk, nou roept hij de anderen.'

'Zie je ze wijzen?'

'Hebben ze iets gevonden?'

'Daar ligt misschien een vliegtuigbom uit de oorlog', zegt Dien.

'We hebben geen melk', zegt tante Nel.

'Nee, dat is waar', zegt Dien. Even later scharrelen we door de supermarkt.

'Fred kijk jij eens', zegt ze bij elk stuk voedsel, 'zou dit nog vers zijn? Dat paardenrookvlees ziet er zo vreemd uit.' Ze kijkt vertwijfeld langs de volle schappen. 'Wat zal ik nou eens nemen, wat denk jij?' Ze pakt iets op en legt het weer neer. Ze scharrelt zo langzaam en gezellig, meter voor meter langs al het opgetaste voedsel, dat ik een kop koffie kan gaan drinken, al mijn eigen boodschappen kan doen en als ik terug kom, staat ze tien meter verder op haar winkelwagentje geleund met een kennis te praten over het gebrek aan voedsel in de oorlog. Anderhalf uur later zijn we klaar. Het wagentje is mudvol. 'Zou dit genoeg zijn? Wat denk jij, moet ik nou nog chocola voor de kleinkinderen kopen?' Alles is betast en bekeken.

Als we thuis komen zegt ze: 'Fred, weet je wat ik nou nog vergeten ben...?'

'De melk?'

    • Fred Koning