Geweten?

'We' hebben in de oorlog wél geweten dat de joden uitgeroeid werden, stelt Ies Vuijsje in zijn opmerkelijke boek Tegen beter weten in. 'Verdringen' vindt hij niet het goede woord, het was eerder 'een massaal proces van niet willen geloven, van niet kunnen aanvaarden, van zelfbedrog. En dat was geen proces dat zich geheel en al in het onderbewustzijn van de vervolgden en de 'omstanders' kon afspelen. We kunnen daarom beter spreken van het ontkennen, of onderdrukken, van informatie over de vernietiging.'

'De ramp kon niet voorkomen worden', voegt hij eraan toe, 'maar meer levens zouden zijn gespaard als de realiteit onder ogen was gezien.'

Ik wil best geloven dat Vuijsje een goed amateur-historicus is, maar is hij ook een goed amateur-psycholoog? Ik heb moeite met dat 'massale proces' dat hij tot in alle hoeken van de Nederlandse samenleving in de oorlogsjaren ontwaart. Waarom zou je bij de ene Nederlander niet kunnen spreken van verdringing, bij de ander van ontkenning en bij weer een ander van onwetendheid of wat-dan-ook?

Zelfs als je een willekeurige greep in gepubliceerde oorlogsherinneringen doet, word je al aan het twijfelen gebracht over dat 'massale proces van niet willen geloven'.

Elie A. Cohen beschrijft in De afgrond hoe hij met zijn vrouw, zoontje en schoonouders in de trein naar Auschwitz zat. Zijn vrouw zegt tegen hem: 'Je kijkt net zoals je keek toen we van Groningen naar Amsterdam gingen na de arrestatie. Verwacht je dan zoiets verschrikkelijks?' 'Wat kon ik zeggen?' schrijft Cohen. 'Ik wist niet wat ik verwachtte. Niet iets moois, maar ook niet iets slechts.' Maar later, toen hij hoorde dat zijn familie vergast was, geloofde hij het direct. 'Dus ergens moet het bij je aangesloten hebben. Je zei niet, ach, dat is toch niet waar. Nee nee, je geloofde dat.'

Zo gecompliceerd was het dus. Wat zat Cohen in die trein naar Auschwitz nou te doen? Verdringen, ontkennen, zichzelf en zijn vrouw te bedriegen? Of kunnen we ons niet beter neerleggen bij dat ene simpele zinnetje dat alles openlaat en meer op individuele twijfel dan op een 'massaal proces' wijst: 'Ik wist niet wat ik verwachtte.'

Onlangs verscheen de biografie Walraven van Hall, premier van het verzet door Erik Schaap. Het gaat over de Zaandamse effectenmakelaar Walraven van Hall, die een centrale rol speelde bij de financiering van onder meer het verzet. Prominente verzetslieden als Van Hall wisten veel meer over de vernietigingskampen dan doorsneeburgers.

In Zaandam kreeg Van Hall joodse buren, het echtpaar Lewkowicz en hun dochtertje Regina. Walraven en zijn vrouw Tilly probeerden 'gewapend met hun kennis' het echtpaar te overtuigen dat het beter was om te vluchten. Ze weigerden. Regina zei later: 'Ten eerste geloofde mijn vader dat de oorlog in twee, drie maanden afgelopen zou zijn. Hij was niet op de hoogte van wat er zich allemaal in Duitsland afspeelde. Bovendien wilde ik niet bij mijn ouders vandaan.'

Vader Lewkowicz kon Van Hall kennelijk niet geloven. Kun je nu zeggen dat hij aan zelfbedrog deed en wel degelijk van de uitroeiing wist? Dat is mij te aanmatigend. Hij was een optimistisch man en hij wilde zijn dochtertje niet in de steek laten - zo kun je het ook zien.