De oorlog van Andrej Esjpaj

spaj1.jpgComponist Andrej Jakovlevitsj Esjpaj (80) vierde Overwinningsdag in 1945 in Berlijn. Een uitgelaten nacht in een leeg appartement met een piano, twee meisjes en drie jongens uit Nederland. Ze hadden het werkkamp overleefd en zongen van tititidididi, tititidididi, neuriet de componist. Op zijn vleugel speelt hij iets dat als de Vogeltjesdans klinkt.

Wat een nacht. ‘We leven’, die gedachte echode die hele avond door zijn hoofd terwijl de Nederlanders dansten. Zo uitgelaten was Esjpaj later nooit meer. Hij gaf ze brood, worst, wodka en ’tweede front’: blikken Amerikaanse conserven. Na die nacht zag hij ze niet meer terug. ‘Het zou zo geweldig  zijn als zij dit lezen. Ze zijn heel welkom bij mij in Moskou.’ De componist staat abrupt op en loopt naar het raam: hij wil niet dat we zijn tranen zien.

Esjpaj, ‘volksartiest’ van de Sovjet-Unie en de Russische Federatie, bleek voor grote dingen voorbestemd. Hij componeerde symfonieën, sonates, kamermuziek, muziek voor zestig films. Zijn handen zijn nooit ver van de pianotoetsen, midden in een zin pingelt hij opeens Macky Messer. Zijn kamer hangt vol foto’s met handtekeningen: van maarschalk Boedjonni, van de componisten Sjostakovitch en Chatsjatoerian.

Esjpaj praat niet gemakkelijk over de oorlog. ‘Wat is een veldslag? Een gruwel van vuur en rook. Alles brandt, mensen, bomen, huizen. En de helden, die liggen onder de grond.’

Zelf was hij 15 jaar toen de oorlog begon. Esjpaj wilde snel naar het front, want het nazibeest was immers in een oogwenk vernietigd. Daar moest hij bij zijn. Op een winternacht in 1941 liep hij 35 kilometer door de sneeuw om zich als piloot te melden bij een vliegveld. ‘Vliegen was mijn droom, nog steeds trouwens.’

esp.jpgHet ging niet door. Esjpaj kreeg een tolkencursus Duits en werd luitenant bij de verkenners. Eerste Witrussische front, 3e leger, 7e bataljon, 608e artillerieregiment, Soevorov-divisie. Ze moesten dorpen vlak voor het front doorzoeken. Waren de Duitsers weg, dan vuurden ze een groene vuurpijl af. Ook moest Esjpaj ‘Tongen’ gevangen nemen, Duitse officieren.

Esjpaj’s oorlog begon pas eind 1944 aan de Weichsel, maar binnen een half jaar sneuvelde zijn complete peleton. Zelf ontsnapte hij in februari 1945 aan de dood. Esjpaj stond tegen een muur te plassen toen achter zijn rug een Feldwebel van de SS opdook. Esjpaj bevroor. ‘Mijn gulp stond open en ik had niet mijn pistool in mijn hand. Wij Russen hebben dan een vreemde preutsheid.’ De SS’er ontgrendelde zijn karabijn, maar de grendel bleek bevroren.

‘We namen hem gevangen en vroegen waarom hij in het dorp was achtergebleven. Hij snauwde ons af. ‘Es ist meiner Heimat, wir leisten Wiederstand bis zum letzen Atemzug.’ Luitenant Esjpaj gaf bevel de man ‘heel goed te bewaken’, ofwel te executeren. ‘De enige keer dat ik zoiets heb bevolen.’ Duitsers. ‘Zij vochten zo intellectueel, zo georganiseerd, zo fanatiek. Wat een krijgers.’

spaj.jpgOp 2 mei 1945 stierven Volodja en Gena, de twee laatste soldaten van zijn peleton, in Berlijn.  ‘Vreselijke verspilling. Duitsland was verslagen, ze vochten nergens meer voor. Alleen uit angst en haat.’ Esjpasj zelf verkende die dag half ondergelopen metrobuizen. Hij stuitte op een groep Berlijners die tot de knieën in het water stonden. Naar buiten, riep Esjpaj, het is hier niet veilig. Meteen toen de Duitsers boven de grond kwamen, schoot een SS-eenheid een Pantserfaust af. Esjpaj zelf stond net om de hoek. ‘Het regende handen en stukken been, een meter verder en ik was zelf in stukken gereten. Daarover voel ik me nog steeds schuldig.’

Espaj vermoedt dat het in de hemel is geschreven dat hij moest leven. Zijn opa, een pope, en oma, die als een heilige leefde en aan cholera stierf, hebben boven een goed woordje voor hem gedaan. Al is hij honderd procent atheïst, moeten we begrijpen. ‘En hier zit ik nou, piano te spelen. Ik kan niet geloven dat ik zo oud ben geworden.’

( De ‘Dag van de Overwinning’ is hier pas volgende week, maar ik hou me aan de Dodenherdenking. Foto’s Oleg Kilmov)