De bijna-dood-ervaring lijkt veel op een droom

Mensen met een bijna-dood-ervaring (BDE) maken in hun gewone leven veel vaker dan anderen mee dat elementen uit de REM-slaap doorbreken tijdens de waak (REM-intrusion). REM-slaap is de technische term voor de droomperiode die meestal anderhalf uur na het inslapen intreedt.

In het Amerikaanse tijdschrift Neurology van 11 april zet neuroloog Kevin R. Nelson uiteen dat veel van de elementen uit de bijna-dood-ervaring (licht-ervaringen, uittredingservaring, vredig gevoel, lichamelijke verlamming) overeenkomen met die van de REM-slaap, hoewel juist de bizarre beeldenrijkdom van de REM-droom ontbreekt in de meestal nogal ordelijk verlopende bijna-dood-ervaring.

Deze en andere theoretische connecties tussen REM-slaap en BDE hebben Nelson en zijn team nu empirisch onderbouwd door hun ontdekking dat mensen met een BDE kennelijk gevoeliger zijn voor REM-intrusie dan andere mensen. Bij REM-intrusie gaat het om sterke visuele of auditieve ervaringen vlak voor het inslapen (dus veel te vroeg voor echte REM) of een gevoel van verlamming bij het ontwaken. Dat de bijna-dood-ervaring vaak voorkomt is door onderzoek in de afgelopen decennia wel komen vast te staan. Na een hartaanval heeft zo'n 6 tot 12 procent van de patiënten een vorm van bijna-dood-ervaring (met als beroemdste element de “tunnel van licht', maar ook gevoelens van “kosmische eenheid', vrede, uittreding uit het lichaam, en soms ook ontmoetingen met dode familieleden). Waardoor deze ervaring wordt veroorzaakt is nog altijd niet duidelijk.

In totaal ondervroegen Nelson en zijn team 55 mensen die een duidelijke bijna-dood-ervaring hadden gehad. Na een hartaanval, een auto-ongeluk, een bijna-verdrinking of een andere acute “gezondheidscrisis' ervoeren ze een ander tijdsgevoel, een grote vrede, een “andere wereld' enzovoorts. In totaal 60 procent van hen bleek elementen van REM-intrusie te hebben ervaren, tegen bijna een kwart van een verder identiek samengestelde controlegroep (die nooit een BDE had ervaren). Slechts 2 procent van de controlegroep had minimaal twee elementen van REM-intrusie, tegen 24 procent van de BDE'ers.