Verlangen naar toezicht

Mij was ontgaan dat je de morning-afterpil tegenwoordig gewoon bij de benzinepomp kunt kopen, maar dat deze vrijheid onlangs in de politiek ter discussie werd gesteld, komt mij niettemin voor als een veeg teken. Zo gaat het vaker, wanneer de seksuele verworvenheden uit het recente verleden ter sprake komen: het debat gaat bijna steeds over de schaduwzijden en nooit meer over hoe fijn het is dat die vrijheden bestaan.

Handig, die morning-afterpil aan de pomp, maar het debat gaat over eventueel oneigenlijk gebruik: wordt het ding niet steeds vaker als primair voorbehoedmiddel gebruikt? Zo gaat het vaker in publieke en politieke debatten over wat vroeger zedelijkheidsvraagstukken genoemd werden. Een opluchting dat prostitutie gelegaliseerd is - het debat gaat over de schaduwzijden: loverboys en vrouwenhandel. Ook bij euthanasie en abortus overheerst de hang naar meer controle en bestrijding van misstanden.

Het meest opvallend is nog wel de roep om een verbod op de trillende billen en macho-praat overdag in videoclips op TMF en MTV. De voorstanders van beperking van de vrijheid ontzien zich niet om hier een verband te leggen met groepsaanrandingen onder jeugdigen. Wanneer de tere kinderziel als argument in stelling wordt gebracht, kun je er donder op zeggen dat schijnheiligheid regeert. Wanneer het waar is - zoals wel wordt bericht - dat in jongere generaties orale seks niet meer als “echte' seks wordt ervaren maar als onschuldig tijdverdrijf, wie zijn de ouderen dan om te beweren dat “pijpen voor een breezer' psychische schade oplevert? Niets is veranderlijker dan zedelijke opvattingen, historisch gezien.

Nederland is niet het enige land waar in het publieke debat over zedelijkheidskwesties een verschuiving optreedt: van aandacht voor vrijheid en een als zedenmeester terugtredende overheid naar een nadruk op nadelen en het verlangen naar meer verboden en toezicht. In Frankrijk is sprake van een toenemend aantal strafzaken met een seksuele thematiek, schrijven de wetenschappers Marcela Iacub en Patrice Maniglier in hun overigens zeer vermakelijk-speelse Antimanuel d'éducation sexuelle (Éditions Bréal, 2005).

Het gaat daarbij vooral om zaken waar je moeilijk iets tegen in kunt brengen, zoals kindermisbruik of verkrachting. Toch, menen de auteurs, is de groei van het aantal zaken een indicator voor de toenemende neiging om van overheidswege in te grijpen in het seksuele domein. Of er in Nederland ook zo'n toename is, weet ik niet, maar ik denk vaak van wél. Ik hoorde laatst dat bij geschillen over voogdij na echtscheiding door gekwetste moeders vaak routineus aangifte wordt gedaan van seksueel misbruik door vaders. En toen laatst verontwaardiging ontstond over de bagatellisering van verkrachtingszaken door de minister van Defensie, gold dat minder de zakelijke inhoud van zijn opmerkingen (het is bij de marine niet erger dan elders) dan het feit dat Kamp de tekenen des tijds niet had verstaan (vergoelijkend over verkrachting spreken, dat doe je niet).

Nee, ik ben er niet gerust op dat de seksuele vrijheden in Nederland, waarvan Iacub en Maniglier trouwens hoog opgeven, voor de eeuwigheid zijn. Maar ja, in seks is niets voor de eeuwigheid - tenslotte gold voor onze Hollandse vaders en grootvaders het Frankrijk dat de beide auteurs als een land van seksuele repressie schilderen, als een oh là là land van ongekende mogelijkheden.

Raymond van den Boogaard

woensdag@nrc.nl