Reanimeren behoeft regelgeving

Euthanasie en palliatieve sedatie zijn wettelijk geregeld. Ook regels betreffende reanimeren zijn nodig, want dat denkt iedereen te kunnen, meentHugo van der Wedden.

Nederland heeft sinds de jaren '70 een traditie opgebouwd als het gaat om het bespreekbaar maken en reguleren van medisch handelen rondom het sterven. Deze eigenzinnige cultuur van relatieve openheid kan vanuit het buitenland misschien rekenen op kritiek, het heeft ons geen windeieren gelegd; we waren het eerste land ter wereld met een heldere Euthanasiewet en zijn, sinds oktober vorig jaar, ook het eerste met heldere richtlijnen voor palliatieve sedatie. Artsen, patiënten, naasten, eigenlijk de gehele samenleving plukt de vruchten van de duidelijkheid terzake.

Dit alles is echter geen reden om achterover te leunen. Een andere medische handeling rond het sterven verdient dezelfde aandacht die euthanasie en palliatieve sedatie ten deel viel, namelijk de praktijk rond reanimatie; het door hartmassage, beademing en defibrillatie weer op gang brengen van weggevallen circulatie of ademhaling. Vooralsnog is iedere poging tot maatschappelijke discussie over deze medische handeling gesmoord in onbegrip.

Toen een zorgorganisatie uit Zuid-Holland ruim een jaar geleden niet zo enthousiast reageerde op de mogelijke plaatsing van Automatische Externe Defibrillatoren (AED's), leidde dit tot verontwaardigde reacties in plaats van: “Tja, moeilijke materie.“

Het lijkt alsof er taboe bestaat op het openlijk bespreken van de reanimatiepraktijk, terwijl er genoeg redenen zijn daar toch toe over te gaan, al is het alleen maar omdat de materie zo complex is.

In de eerste plaats neemt het aantal AED's in de publieke ruimte explosief toe, bijvoorbeeld in zwembaden, sportkantines, bedrijven en universiteiten. Zelfs supermarktketen Dirk van den Broek gaat over tot het plaatsen van deze apparaten in al zijn vestigingen. Tegelijkertijd heeft bijna een kwart van de Nederlanders een reanimatietraining gevolgd, waardoor de publieke ruimte steeds meer iets krijgt van een soort coronary care unit.

In de tweede plaats is daar de vergrijzing. Een groot deel van de Nederlanders is de zestig ruimschoots gepasseerd en heeft een leeftijd bereikt waarop je, om uiteenlopende redenen, plotseling zou kunnen overlijden. Het zijn voornamelijk deze mensen voor wie al die AED's geplaatst worden, maar het is de vraag of zij ook daadwerkelijk gereanimeerd willen worden, of op de hoogte zijn van de voor- en nadelen zoals dat rond medisch ingrijpen normaal gesproken belangrijk wordt gevonden.

Er is de wettelijk verplichte noodhulp. Terecht natuurlijk, maar is daarmee alles gezegd? Wat als een dame van 90 jaar in de supermarkt ineenzijgt achter haar rollator? Nu de medische techniek de samenleving binnendringt, behoren ook de professionele afwegingen mee te verhuizen. Anders gezegd, krijgen de medewerkers van de Dirk ook les in ethiek?

Ook in ziekenhuizen, waar jaarlijks zo'n 25.000 reanimaties plaatsvinden, onttrekt reanimatie zich aan de informed consent-sfeer onder het mom van noodhulp. Er wordt voor iedere patiënt bij opname weliswaar meteen afgesproken of hij wel of niet gereanimeerd zal worden, maar de patiënt ontvangt in de praktijk alléén informatie wanneer de arts het plan heeft van de eventuele reanimatie af te zien.

Acht de arts reanimatie wel zinvol of als hij opziet tegen het gesprek - bijvoorbeeld met een hoogbejaarde patiënt of lastige familie - dan hoeft hij de confrontatie niet aan te gaan over de voor- en nadelen, en kan hij gewoon besluiten tot reanimeren, hoewel hij dat misschien zinloos acht. Terwijl de hoogbejaarde patiënt of de lastige familie zo'n gesprek kan opvatten als positieve aandacht van de arts en wellicht dezelfde mening is toegedaan. Overigens verlaat het grootste gedeelte van de patiënten bij wie een besluit om niet te reanimeren is genomen, gewoon levend het ziekenhuis.

Er is nog te beperkt onderzoek gedaan naar reanimatie en toch bestaat een te rooskleurig beeld van deze behandeling. Reanimeren wordt te veel als een heroïsche handeling gezien die veelal tot succes leidt bij het weer tot leven wekken van een schijnbaar overleden drenkeling, en te weinig als een agressieve en ingrijpende behandeling die wordt toegepast op hoogbejaarde mensen die niet zijn ingelicht over de ernstige nadelen en de geringe kans op succes. Terwijl die laatste situatie zich vele malen vaker voordoet.

Waar eindigt noodhulp en waar begint een ander belangrijk medisch adagium: niet schaden? Voor een dokter al een lastige afweging, laat staan voor de medewerkers van de Dirk van den Broek.

Hugo van der Wedden is verpleegkundige en studeerde sociologie aan de Universiteit van Amsterdam.

    • Hugo van der Wedden