Een buitenmens binnen

Henk van Halm is 70 en schrijft sinds jaar en dag over de natuur in Trouw. Zijn verschijning, zijn manier van doen, zijn manier van praten, de grapjes die hij maakt - alles aan deze man is even zachtaardig. Misschien is dat de vrucht van een leven lang stil genieten.

H.J. van Halm (Amsterdam, 2 dec. 1935) woont in amstelveen Nederland, Amstelveen, 26-04-2006 Henk Van Halm, Auteur over de natuur voor ondermeer het Dagblad Trouw. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Toen hij zich vorig jaar zorgen maakte over het voortbestaan van zijn krant, bood zijn oudste zoon aan een weblog voor hem te maken, zodat hij altijd in contact zou kunnen blijven met zijn aanzienlijke achterban. Nu de krant zo dapper standhoudt, maken wij ons een beetje zorgen over Henk zelf. Over “het hart' en “suiker' had hij nog kunnen zwijgen, maar het mankement aan zijn heup springt direct in het oog. Die is al eens gebroken geweest en momenteel is er sprake van artrose en een beknelde zenuw.

Hij zit binnen. Hij is aan huis gebonden. Een onalledaags huis, dat wel.

Je belt aan bij een rijtjeswoning uit de jaren zestig, maar je treedt binnen in iets dat nog het meeste weg heeft van een filiaal van het Afrikamuseum. Dit huis staat en hangt van onder tot boven vol met etnografica: sieraden, maskers, krukjes, messen, neksteunen, kammen, rustbanken, pagaaien en wat al niet. Desgewenst verschaft de huiscomputer een lijst van 1531 voorwerpen en bij ieder voorwerp een betekenis, een vreemd volk, een ver werelddeel.

Dat werd bijna allemaal verzameld in Amsterdam. Het verste komt uit Parijs. Nee, Afrika is voor hen nooit een vakantiebestemming geweest, en op de vraag waar ze dan wél met vakantie gingen, antwoorden ze (hij en Willemijn) in koor: “De Wadden“ Texel, Schier, Terschelling, wat wil een mens nog meer!

Zo belanden we weer in Nederland, zo gaat het in dat buitenissige decor algauw over de zwarte sterns die vroeger een broedkolonie hadden op de Kloosterkolk in Botshol en de kemphanen die vroeger een baltsplaats hadden op de Nes bij Marken, waar nu een jachthaven is.

In een van zijn vroegste herinneringen beziet hij de blauwe vleugels van een sprinkhaan die zijn vader gevangen had in het Spanderswoud bij Hilversum. Zijn vader, die toch maar kassier was op een effectenkantoor, wou dat hij biologie ging studeren.

“Ik moest“, zegt hij, “de kroon op zijn hoofd worden. En een nuttig lid van de samenleving natuurlijk, wat zo dáchten ze - wij waren gereformeerd.“

Op school, het Christelijk Lyceum in de De Lairessestraat. Daar vloog eens een gierzwaluw dwars door het klaslokaal, het ene raam in, het andere raam uit. Niemand zag het, hij wel. Iedereen zat te blokken, hij niet. Dus met de studie is het nooit wat geworden. Hij beschouwt de natuur “zonder gehinderd te worden door academische kennis'.

Hij begon zijn beroepsleven (lachend) als employé der derde klasse bij de Rijkspostspaarbank in de Van Baerlestraat. Op een gegeven moment, deze maand veertig jaar geleden, was hij corrector op de Rotatiedrukkerij aan de Voorburgwal, waar onder meer Trouw gedrukt werd, alles nog uit lood gezet natuurlijk.

Bij Trouw zaten ze met een zieke redacteur. Die had de recensies van natuurboeken gedaan. De boeken stapelden zich op. Vandaar: kun jij niet een paar van die boeken voor ons wegwerken? En dat kon hij. Later een tuinrubriek. Daarna een halve pagina (“door de natuur met Henk van Halm') in de weekendbijlage. Dit alles náást zijn eigenlijke broodwinning, consulent voorlichting bij het IVN (Instituut voor Natuurbeschermingseducatie), tot hij daar op zijn zestigste met pensioen ging. “En toen“, zegt hij (toen hij daar met pensioen was), “begon het leven zoals ik het eigenlijk wou.“

Zijn huidige bijdrage aan de krant bestaat uit het natuurdagboek, elke dag een hoekje dat bol staat van de buitenlucht. “Ik ga zitten“, zegt hij, “en ik begin te tikken; 1050 aanslagen, de computer telt wel. Soms moet je dingen schrappen en soms vind je dat zonde, maar die dingen ben je niet kwijt, die kun je bewaren voor volgend jaar of zo.“ Ook de bijpassende foto is altijd van eigen makelij.

Nu hij bijna de deur niet uit kan, delft hij vrijelijk uit zijn goudmijn: het dagboek dat hij voor zichzelf heeft bijgehouden sinds 1945. Uiteraard moet je daarbij rekening houden met verschillende variabelen. Sleedoorn en holwortel bloeien later dan in andere jaren (dat is het koude voorjaar), terwijl de gierzwaluw juist veel eerder terug is dan vroeger (dat is het opwarmende klimaat).

“Ik stop“, zegt hij, “pas met mijn natuurrubriek als er geen natuur meer is.“

“En hoelang zou dat nog duren?“, vraag ik.

“Soms“, geeft hij toe, “heb je het gevoel dat het bijna zover is. De natuur is hard achteruit gegaan. Ik ben een hele hoop plekken kwijtgeraakt, met name door woningbouw. De natuur is een kasplantje geworden. Vroeger had je de natuur naast je huis, ook hier in Amstelveen, nu moet je er steeds verder voor reizen.“

“En dat zeg je ook in je rubriek?“

“Soms“, zegt hij. “Maar ik ben niet constant bezig met waarschuwen, dat is de functie niet.“

“Wat is de functie dan wel?“

“Mensen nieuwsgierig maken naar de natuur om zich heen.“ Ah, daar spreekt de oude IVN-consulent. En daar klaart zijn gezicht ook alweer op. Heup of geen heup, in juni naar Texel, samen met een vriend in een directiekeet bij Den Hoorn. “Daar is een duinvallei... daar heb je de moeraswespenorchis kamerbreed, en de vleeskleurige staat er ook, én de groenknol! Een fantastische vallei is dat.“

“Wat ouder' is een serie gesprekken met mensen die zeventig zijn.

    • Koos van Zomeren