De toestand

Met een vriend zat ik in een zaak die meer weg had van een lunchroom dan van een grand café, maar die toch liever voor grand café doorging. We hadden niets anders kunnen vinden in deze middelgrote provinciestad. Het was een doordeweekse middag, vakantievierende gezinnen domineerden het stadsbeeld.

We hadden elkaar een hele poos niet meer gesproken, maar dat maakte bij ons nooit veel uit. We gingen gewoon verder in het boek waar we de vorige keer waren blijven steken. Hij was een betere verteller dan ik, dus ik luisterde aandachtig als hij aan de beurt was.

Op zeker moment, het was onvermijdelijk, kwamen we over “de toestand van het land' te spreken. Hij keek me sceptisch aan. Wilde ik echt weten wat hij daarvan vond? Ja, dat wilde ik, mijn eigen mening kende ik nou wel. Hij zuchtte. Nou, vooruit dan.

“Twee woorden“, zei hij. “Algehele incompetentie.“

Een prikkelend begin, maar ik wilde wel nadere uitleg.

“Over de politiek zijn we snel uitgepraat“, zei hij. “Ruggengraatloos. Eerst waren ze tegen Fortuyn, toen namen ze zijn ideeën kritiekloos over. De hysterie na de moord op Van Gogh. Ik heb er verbijsterd naar gekeken. Jij kunt je in de krant nog afreageren, ik niet.“

Dat was het? Was het maar waar. Ik was erover begonnen, nu wilde hij ook graag uitpraten.

“De media falen ook“, zei hij. “Op de tv zie ik hoofdzakelijk flauwekul, en jullie kranten halen te weinig eigen nieuws boven water. Waarom kunnen de Engelse kranten dat zoveel beter? Jullie staan te ver van de dagelijkse werkelijkheid af, net als de politiek. Ik lees te veel abstracties - meningen vooral - en te weinig feiten. Jullie moeten meer naar buiten.“

Ik begon me te voelen als een echtgenoot die door zijn vrouw zijn eigen huis wordt uitgezet. Doorbijten, dacht ik, niets laten merken.

“Algehele incompetentie, je ziet het op alle fronten“, ging hij verder. “Politie die geen boeven kan vangen, falende justitie en rechters. En er is nog iets anders aan de hand.“

Alsof dit nog niet genoeg was. Hij maakte een armgebaar naar het grand café dat geen grand café was, maar het wel wilde zijn. “Zie je dit? Eén meisje moet al die tafeltjes bedienen. Een aardig, maar onervaren meisje. Ze weet niet eens hoe laat de keuken opengaat. Wij laten in dit land al het uitvoerende werk door jonge, onervaren meisjes opknappen. Of het nou de horeca is, of de psychiatrische verpleging, overal kom je meisjes tussen de negentien en de drieëntwintig tegen die het niet aankunnen. Hun bazen zitten veilig achter een bureau en schrijven rapportjes.“

Hij nam een slok van zijn koffie. “Begrijp me goed. Ik heb niets tegen jonge meisjes. Ik merk alleen dat ze verkeerd gebruikt worden. Ze zijn jong en goedkoop en makkelijk te ontslaan.“

We besloten een wijntje te nemen, dat hadden we zo langzamerhand wel verdiend. Onze serveerster hoorde ons welwillend aan. Even later stond ze weer aan ons tafeltje, met een fles rode wijn. Blozend zei ze: “Ik kan de kurk er niet uitkrijgen, zou u het zelf even willen doen?“

Mijn vriend nam de fles zwijgend over, ontkurkte haar en schonk in.

    • Frits Abrahams