Westen weet veel te weinig over de islam

“Fundamentalisme' en “heilige oorlog' zijn Westerse begrippen die ten onrechte in verband worden gebracht met de islam, zegt moslimtheologe Riffat Hassan.

Na 11 september 2001 is de aandacht meer dan ooit uitgegaan naar de islam en de moslims, en hun beider band met geweld. Meestal was deze aandacht negatief. De crisis werd bezien - en beschreven - in termen die de wereld polariseerden. Het algemene wereldbeeld in de discussie, in Amerikaanse regeringskringen én in de media, werd gesymboliseerd door uitdrukkingen als “wie niet voor ons is, is tegen ons' en “goed tegen kwaad'. Het leek wel of Samuel Huntingtons “botsing van beschavingen' tussen het “Westen' en “de wereld van de islam' inderdaad was aangebroken.

Hoe we ook tegen noodlottige gebeurtenissen van 11 september 2001 aankijken, we kunnen duidelijk niet meer terug naar de toestand van voor die dag. We kunnen alleen vooruit. Dit betekent een serieuze uitdaging, voor (niet-islamitische) westerlingen én moslims. Hoe en op welke basis scheppen we een nieuwe wereldorde, na 11 september 2001? Is het mogelijk de wereld te “depolariseren' en een brug tussen “het Westen' en “de wereld van de islam' te slaan?

Van George Santayana is de stelling dat zij die hun geschiedenis niet kennen, gedoemd zijn haar te herhalen. We moeten wel beseffen dat het negatieve clichébeeld in het Westen van islam en moslims al dateert van het begin van de islamitische geschiedenis, toen het nieuwe geloof doordrong tot gebieden die grotendeels werden bewoond door christenen, en toen moslims niet alleen als “anders' maar ook als “duivels' werden gezien.

Dante, de grote dichter van het middeleeuwse christendom, schilderde in De goddelijke komedie een gruwelijk beeld van de profeet van de islam. Door hem als fysiek “verscheurd' voor te stellen, met zijn darmen uit zijn lijf hangend, plaatste Dante de profeet Mohammed bijna onder in de hel, wegens de zware “zonde' de wereld van het christendom te hebben verdeeld.

Gezien het reservoir aan negatieve beelden van de islam en de moslims in “het collectieve onderbewustzijn' van het Westen, is het niet zo verbazend dat na de ondergang van het sovjetrijk de “wereld van de islam' - eens te meer - wordt beschouwd als de nieuwe “vijand', die misschien nog wel ondoorgrondelijker en eigenzinniger is dan de vorige.

Twee frequent gebruikte woorden om de islam als een bekrompen, starre en oorlogszuchtige godsdienst voor te stellen, zijn “fundamentalisme' en “jihad'. Alleen worden deze twee termen uit islamitisch oogpunt op een manier gebruikt die tot een ernstig misverstand over islam en moslims leidt.

Het woord fundamentalisme stamt niet uit de islam maar uit het Amerikaanse evangelisch-protestantse christendom van de jaren twintig. Fundamentalistisch was de evangelisch-christelijke plicht om onverzettelijk te strijden tegen de “modernistische' theologie en bepaalde seculariserende culturele stromingen. Het duidelijkste kenmerk waarmee de fundamentalisten zich van andere evangelische christenen onderscheiden is een georganiseerd militantisme. Het fundamentalisme is allereerst een Amerikaans verschijnsel.

Maar moslims gebruiken de term fundamentalist ook, en wel voor iemand die in de “fundamenten', de grondbeginselen van iets gelooft. Verreweg de meeste moslims geloven in de grondbeginselen van de islam, zoals het geloof in God en in de profeten die God heeft gezonden, de profetische boeken, de Dag des Oordeels en de plichten jegens God en Gods schepselen. Daarom zullen zij de vraag of ze fundamentalist zijn vaak bevestigend beantwoorden.

Een ander woord dat steeds verkeerd wordt gebruikt is “jihad'. Jihad is een sleutelbegrip uit de koran, afgeleid van het woord “jahada', ofwel “streven' of “zich inspannen'. De hoogste vorm van jihad in de islam is die tegen de eigen tekortkomingen en zwakheden. Het is een doorlopende strijd tot algehele verbetering van het eigen ik. Een lagere vorm van jihad is de strijd tegen sociale misstanden en onrecht. Een verdedigingsoorlog kan deel van de lagere jihad uitmaken, maar de koran stelt herhaaldelijk dat “God niet van agressors houdt“. De jihad behoort zo tot de kern van de islam dat daarvan niet kan worden afgezien. Hij dient daarom te worden opgevat als een morele strijd om een hogere staat te bereiken, zowel door personen als door samenlevingen.

Maar al te vaak wordt jihad vertaald als “heilige oorlog', opgevat als een oorlog voor God of een absolute zaak. Heilige oorlog is echter niet de vertaling van jihad, maar van kruistocht - de benaming van de oorlogen die in de 11de, 12de en 13de eeuw door de christenen uit Europa werden gevoerd om het Heilige Land van de “ongelovigen' (de moslims) te bevrijden.

Veel westerlingen hebben even weinig weet van het kritische gedachtegoed in een aantal moslimmaatschappijen als van de normatieve leer van de islam. Liberale en progressieve moslims voeren sinds jaar en dag een strijd om de islamitische traditie en de moslimmaatschappijen van binnenuit te hervormen.

Neem de vrouwenrechten. Het is wrang en tragisch dat de koran hamert op de menselijke gelijkheid en de noodzaak al Gods schepselen recht te doen, maar toch door tal van moslims, vroeger en nu, zo wordt uitgelegd dat vormen van menselijke ongelijkheid en zelfs slavernij worden gedoogd. De koran stelt duidelijk dat man en vrouw tegelijkertijd zijn gemaakt, op dezelfde wijze en uit dezelfde bron, en dat ze voor God gelijk zijn, terwijl mannen en vrouwen toch in vrijwel alle moslimmaatschappijen zeer ongelijk zijn en de superioriteit van mannen boven vrouwen als vanzelfsprekend wordt beschouwd.

Het belangrijkste vraagstuk waar de islamitische umma, de gemeenschap van gelovigen, als geheel in de 21ste eeuw voor staat, is dat van de gelijkheid en rechtvaardigheid tussen de geslachten. De islamitische traditie heeft zich - net als alle grote wereldgodsdiensten, te weten het jodendom, het christendom, het hindoeïsme en het boeddhisme - ontwikkeld tot een patriarchale cultuur, gericht op de man. In de eeuwenlange moslimgeschiedenis zijn de bronnen van de islamitische traditie alleen door de moslimmannen geïnterpreteerd.

Vanaf de jaren zeventig zijn de vrouwen gaan beseffen - vooral onder druk van vrouwonvriendelijke wetten die onder het mom van islamisering in een aantal moslimlanden zijn afgekondigd - dat de godsdienst dient als instrument tot onderdrukking.

Veel moslimmaatschappijen kunnen de moderne tijd als geheel niet aan en maken daarom een scherp onderscheid tussen twee kanten ervan. De eerste - meestal modernisering genoemd - wordt geassocieerd met wetenschap, techniek en een hogere levensstandaard. De tweede - meestal verwestersing genoemd en grotendeels afgekeurd - wordt geassocieerd met symbolen van de westerse massacultuur, zoals promiscuïteit, gebroken gezinnen, sleutelkinderen en alcohol- en drugsmisbruik. Een geëmancipeerde moslimvrouw wordt door veel moslims niet gezien als symbool van modernisering maar van verwestersing.

Veel onrust in de moslimwereld is terug te voeren op thema's met betrekking tot de vrouw en aspecten van het persoonlijke leven. De huidige discussie komt grotendeels voort uit de invoering in een aantal moslimlanden van uitgesproken vrouwonvriendelijke wetten. Zoals in Pakistan, waar wetten systematisch gericht zijn op verlaging van de status van de vrouw tot minder dan die van de man. Bijvoorbeeld als het gaat om de verklaringen van vrouwen die verkracht zijn, financiële kwesties en het “bloedgeld' voor de moord op vrouwen.

De koran leert meer over rechtvaardigheid in huis - door gelijke bescherming van de rechten van alle gezinsleden - dan over enig ander onderwerp. Daarom is het zeer verontrustend dat ook in de 21ste eeuw veel moslimvrouwen voorwerp zijn, niet alleen van fysieke en economische onderwerping, maar ook van morele, intellectuele en geestelijke vernedering als gevolg van een verkeerde voorstelling van de kernboodschap van de islam. Steeds meer moslims - vooral vrouwen en jongeren - beseffen dat de islamitische umma zich sterk zal moeten inzetten om in elke levenssfeer rechtvaardigheid en gelijkheid van geslacht te vestigen, wil ze het waardig zijn om “khalifah' (plaatsvervanger) van God op aarde te worden en zich maximaal te ontplooien. Geen maatschappij mag zich echt islamitisch noemen, als ze niet in woord en daad erkent dat man en vrouw voor God gelijk zijn en dat beiden evenveel recht hebben om hun door God gegeven vermogens ten volle te ontwikkelen.

Riffat Hassan, geboren in Pakistan, is hoogleraar Religieuze Studies aan de Universiteit van Louisville, VS. Dit is een ingekorte versie van een toespraak voor de Society of International Development in Amsterdam. De volledige tekst op www.nrc.nl/opinie

    • Riffat Hassan