Militairen in Uruzgan moeten niet strijden tegen drugshandel

Minister Kamp zegt dat drugsbestrijding speerpunt is bij de missie in Uruzgan.

Maar arme boeren zijn te afhankelijk van de drugsteelt en behoeven compensatie.

Illustratie Milo Milo

Tijdens zijn bezoek aan Sydney in april heeft minister Kamp (Defensie, VVD) aangegeven dat drugsbestrijding een speerpunt zal zijn van de militaire operatie van Nederland en Australië in de Afghaanse provincie Uruzgan. Kamp heeft gelijk wanneer hij beweert dat de aanpak van drugs “een lastig onderwerp is, omdat het moeilijk te scheiden is van terrorisme“. Maar omdat de arme Afghaanse boeren vaak volledig afhankelijk zijn van de papaverteelt, moeten Nederlandse militairen daar niet hun vingers aan branden. Drugsbestrijding in Afghanistan staat zelfs haaks op de doelstellingen van de Nederlandse missie, die gericht is op vredeshandhaving en economische wederopbouw.

Op 1 augustus zullen Nederland en Australië beginnen aan een gezamenlijke missie in Uruzgan die twee jaar zal duren. De haalbaarheid van deze door de NAVO geleide militaire operatie staat ter discussie. Sinds februari is het aantal zelfmoordaanslagen door Talibanstrijders toegenomen en wat werd geafficheerd als een wederopbouwklus lijkt nu uit te monden in een vechtmissie. De tweehonderd Australische militairen die onder Nederlands toezicht in Uruzgan gaan opereren, zullen zich met name richten op de opbouw van scholen, bruggen en wegen. Maar minister Kamp geeft nu toe dat militaire confrontaties met de Taliban niet zijn uit te sluiten: “In Uruzgan, het thuisland van de Taliban, zal echt resultaat geboekt moeten worden.“

Maar wil Nederland succesvol zijn, dan moet het zich juist niet met de papaverteelt en drugshandel in Uruzgan gaan bemoeien. Wederopbouw en drugsbestrijding staan elkaar in de weg. Uruzgan behoort tot de provincies met de meeste papaverteelt. Ruim twee miljoen Afghanen zijn afhankelijk van de opiumproductie. Het gaat hierbij vooral om arme boeren die net het hoofd boven water kunnen houden door dit illegale gewas. Ruim een derde van het bruto nationaal product (illegaal en legaal) is te herleiden tot de papaverteelt en de opiumproductie.

Deze sombere realiteit maakt het lastig om met korte-termijninstrumenten te proberen de papaverteelt te reduceren. Alleen via het aanbieden van compensatie of alternatieve inkomstenbronnen is het mogelijk de papaverboeren op andere gedachten te brengen. Beide oplossingen kennen echter problemen. Beloofde compensatie, zoals bijvoorbeeld in de door de Britten geleide provincie Helmand, is niet van de grond gekomen. Dit heeft geleid tot hevige sociale protesten onder de arme boerenbevolking. Alternatieve ontwikkeling, zoals het planten van dadelpalen, heeft alleen effect op de lange termijn. Maar Afghanistan heeft eenvoudigweg niet tien tot vijftien jaar de tijd om een alternatieve land- of tuinbouw op te bouwen. In de tussentijd hebben de Afghaanse boeren letterlijk geen inkomsten als hun papaverteelt voortdurend wordt vernietigd als onderdeel van een “oorlog tegen drugs', die overigens al tientallen jaren niet te winnen blijkt.

Nederland zou lering moeten trekken uit de slechte ervaringen van de Canadese missie in de zuidelijke provincie Kandahar. De Canadese militairen worden door de Afghaanse bevolking over één kam geschoren met de nationale troepen die, gesteund door private militaire organisaties zoals het Amerikaanse DynCorp, de papavervelden kapotslaan en verbranden. Deze vernietiging leidt onherroepelijk tot sociale protesten en geweld, waarbij de buitenlandse militairen uiteindelijk als zondebok gaan fungeren. Deze geweldspiraal heeft in Kandahar en andere zuidelijke provincies al veel dodelijke slachtoffers geëist. De Canadese militairen proberen weliswaar de Afghaanse boerenbevolking voor zich te winnen, maar dat is onmogelijk gezien het feit dat de Britten en Amerikanen het vernietigende drugsbeleid van de Afghaanse regering dicteren en aanmoedigen.

De Nederlandse commandant in Uruzgan zal daarom de vernietigingscampagnes in zijn provincie moeten vermijden. Op korte termijn moeten er duidelijke afspraken worden gemaakt met de Britten en Amerikanen over het te voeren drugsbeleid. Daarbij moet zwaar worden meegewogen dat het niet mogelijk is stabiliteit te creëren onder een ISAF-mandaat als tegelijkertijd de papaverteelt vernietigd wordt zonder de plaatselijke bevolking direct praktische alternatieven te bieden. Het is het zaak eerst te kijken of er alternatieven zijn voor de huidige, kortzichtige aanpak van de papaverteelt.

De meest haalbare oplossing ligt nu bij de promotie van medicinale papaverteelt, waarvan de eerste experimentele projecten uitwijzen dat Afghanistan inderdaad opium zou kunnen produceren voor de productie van essentiële medicijnen zoals morfine en codeïne.

Een goede relatie met de plaatselijke bevolking hoort voorop te staan bij gevaarlijke missies, hetgeen essentieel is voor het welslagen ervan. Een inconsistent en contraproductief beleid voeren in Uruzgan zal zonder enige twijfel het leven van Nederlandse troepen meer in gevaar brengen dan nodig is.

Jorrit Kamminga is hoofd Onderzoek en Beleid bij de Senlis Council in Afghanistan. Peter van Ham is werkzaam bij Instituut Clingendael.

    • Peter van Ham
    • Jorrit Kamminga