Een vage kennis

Alle zeilen bij voor de Kenniseconomie. Sinds de Europese economie in het begin van de nieuwe eeuw in zwaar weer terechtkwam, is het onderwerp innovatie terug op de agenda van beleidsmakers. In de zogenoemde Lissabon-strategie van de Europese Unie speelt het onderwerp een voorname rol en ook in Nederland is er een kleine industrie ontstaan rond het op de kaart zetten en stimuleren van kennis en vernieuwing. Deze innovatiedrift is, in tegenstelling tot wat de term doet vermoeden, niet nieuw. Na de recessie van begin jaren tachtig werd industriebeleid prioriteit in Den Haag. En na de milde recessie van begin jaren negentig gebeurde dat wederom.

Deze reflex ligt voor de hand, maar is daarom niet per definitie slecht. Economische ontwikkeling draagt een element van “creatieve destructie' in zich, waarbij oude structuren en methoden sneuvelen en nieuwe ontstaan. De vraag is hoe overheden daarmee om moeten gaan. En óf overheden zich daarmee moeten bemoeien. Gisteren kwam het Centraal Planbureau met de resultaten van een onderzoek naar 24 projecten voor versterking van de kenniseconomie die de overheid financiert. De daarmee gemoeide subsidie bedraagt 140 miljoen euro. Volgens het onderzoek hebben 14 van deze projecten geen of een negatief maatschappelijk rendement. Ze dragen niet bij tot het vergroten van de maatschappelijke welvaart, of gaan daar zelfs ten koste van. Vier projecten geven een gemengd beeld en maar zes projecten leveren maatschappelijk rendement op.

Dat is geen goede score. Het CPB geeft er twee redenen voor. Nadat er al eerdere impulsen zijn gegeven door de overheid, worden nu gaandeweg minder kansrijke projecten naar voren geschoven. En er is zoveel extra geld vrijgekomen, dat de criteria kennelijk zijn verlaagd. In de woorden van het CPB: het budget is op zoek gegaan naar aanwending, in plaats dat kansrijke projecten concurreren om een schaars budget.

Dat vele geld is er doordat, met name op verzoek van regeringspartij D66, een groter deel van het Fonds Economische Structuurversterking (FES) is vrijgemaakt voor innovatie. En dat FES, dat wordt gevuld met aardgasbaten, barst uit zijn voegen door de sterk gestegen prijzen van olie en gas.

Een derde conclusie ontbreekt: wie zegt dat de staat de beste arbiter is om te beslissen welke innovatie geld verdient en welke niet? Het beantwoorden van die vraag is niet de taak van het CPB. Maar als er, zoals het Planbureau doet, met de bril van de markt naar de projecten wordt gekeken, blijkt dat de overheid niet bijster goed is in deze taak. Dat hoeft ook niet, want de markt kan dat uitstekend. De overheid is er om de beste voorwaarden te scheppen waaronder burgers en bedrijven zelf hun kennis vergroten en kunnen bijdragen aan innovatie: beter onderwijs, minder rompslomp en een gunstig ondernemingsklimaat. Laat de staat zich bij deze taken houden. Ze zijn kennelijk al moeilijk genoeg.