Demarrage

Drie ingenieurs verwonderen zich over de mens en zijn apparaten. Aflevering 6: het verkeerslicht.

De rechthoekige detectielus in het asfalt heeft mij gezien. Het magnetisch veld werd onrustig van het staal van mijn voorwiel. Toch druk ik op de gouden meldknop. Zeven keer, precies volgens het ritme van de rateltikker, die de niet aanwezige blinden vertelt dat het voetgangerslicht op rood staat. Mijn nerveuze smeekbede is nutteloos. De regelinstallatie in het grijze kastje langs het kruispunt luistert alleen de eerste keer.

Langzaam word ik opgenomen in een grijs peloton vol mannen met attachékoffers aan de bagagedrager. Ze verschijnen overal, zelfs naast me op de stoep. Wanneer ik ze aankijk, kijken ze terug. Met een verwijtende blik, alsof ze vermoeden dat ik de knop niet heb ingedrukt.

Tijd voor een demarrage. Verkeerslichten vragen erom genegeerd te worden. Ik kijk links. Ik kijk rechts. Ik kijk links. Precies zoals ik het vroeger van mijn vader leerde. Dan druk ik mijn voorvoeten op de pedalen en spurt naar voren. Het licht is rood en ik rijd virtueel in de gele trui. Ik ben de kopgroep, “tête de la course'. Zwaaiend met één vingertje zal ik nonchalant de eindstreep passeren. En breed grijnzend neem ik de zoenen van de ronde-miss in ontvangst.

Of niet? Mijn vluchtpoging hapert halverwege het kruispunt. De remmen van mijn opoefiets kraken. Van rechts nadert een brommer. Daarachter een zwarte Volkswagen Golf. En tenslotte bus 128. Verdomme!

Ik zoek een gat. Om doorheen te glippen. Kan het na de Golf? Nee, de ruimte is te klein. Ik moet wachten. Tot de bus voorbij is. Kom dan, schiet op, sneller! Maar hij gaat niet sneller. Remt hij? Hij remt. Of niet? Pas als ik achter me een fietsbel hoor, weet ik het zeker. De rateltikker van het voetgangerslicht tikt snel. En het peloton vol mannen met attachékoffers aan de bagagedrager schiet langs mij heen. Met moeite kan ik aanklampen. Ik hang aan het elastiek. De gele trui kan ik vergeten.

    • Rik Kuiper