Wat is een Nederlander voor een ding?

Hoe voel je je, als je je een Nederlander voelt? En wanneer voelt men zich een Nederlander? In het buitenland natuurlijk, per contrast. Hoewel Nederlanders zich in het buitenland juist altijd heel graag geen Nederlander willen voelen, en er in ieder geval niet op één willen lijken: niets is heerlijker voor een Nederlander dan voor een Italiaan of een Française, een Griek of een echte Brit gehouden te worden.

Los van dat merkwaardige streven om onherkenbaar te zijn, wat maakt dat men zich echt Nederlands voelt? De taal uiteraard, nergens woon je als in je eigen taal. Het landschap? Maar dat is zo divers - laatst in Zuid-Limburg genoot ik ervan zoals ik in het buitenland zou doen. Zelfs de Limburgers komen me nauwelijks als Nederlanders voor. Als ze een ander paspoort zouden blijken te hebben, zou ik daar niet gek van op kijken, daar in het zuiden wonen al bijna Vlamingen - verwant, maar anders.

De cultuur? Opgevat als geschiedenis en literatuur, als kranten en mensen is er wel een deel cultuur waarbij ik me sterk voel horen. Een ander zal zich bij een ander segment voelen horen. Dat levert misschien niet veel gemeenschappelijks op, maar bij elkaar vermoedelijk wel zoiets als 'Nederlanderschap'. Want hoewel de populaire zangcultuur in het geheel aan mij niet besteed is, en Ida Gerhardt of Herman Gorter aan sommige medeburgers weer totaal niet besteed zullen zijn, herkennen we elkaar wel wederzijds als Nederlanders en kunnen we in de supermarkt of de bus of bij de 4 mei-herdenking moeiteloos naast elkaar staan en een paar zinnen of soms alleen een blik van begrip of herkenning wisselen.

Hoe meer je erover nadenkt hoe ongrijpbaarder het is. Toch wordt er erg veel over identiteit gepraat en geschreven.

De Amerikaanse, in Nederland werkzame hoogleraar nieuwste geschiedenis James Kennedy schreef zaterdag in Opinie & Debat dat Nederlanders de neiging hebben om diversiteit best te vinden als ze er maar geen 'last' van hebben. En last is dan een ander woord voor tegenzin in allerlei uitingen van een andere cultuur. Wel couscous willen eten, geen muezzin willen horen die oproept tot gebed...

Wil ik een muezzin horen? Dat ligt eraan. Hoewel ik opgevoed ben met de mededeling dat de kerkklokken op zondagochtend een vorm van 'christelijk imperialisme' vertegenwoordigen, en ik dat ook niet kan ontkennen, hoor ik ze graag op zondagochtend. Omdat ze erbij horen, bij de zondag, bij het gevoel van: zó klinkt de zondag.

Maar als ik in Amsterdam in de buurt van een moskee zou wonen? Geloof niet dat me dat zou hinderen - alleen als ik er wakker van werd natuurlijk, dan wel. Maar een geluid waar je wakker van wordt is, als het geen vogelgezang is, eigenlijk altijd hinderlijk.

Op het platteland daarentegen zou ik beslist geen moskee willen zien staan en al helemaal geen oproep tot gebed willen horen. Dat is raar. Op het platteland ben ik behoudender - dat vertegenwoordigt een ander soort Nederland, denk ik, het Nederland waar je je niet op grond van alledaagse ervaring, maar op grond van geboorte mee verbonden voelt. Misschien is het daarom dat veranderingen daar moeilijker te verdragen zijn.

Internationaal en kosmopolitisch zijn is prima in de grote stad. Maar een heel land dat internationaal en kosmopolitisch is, is geen land meer maar een soort luchthaven.

Of ben ik op het platteland 'nostalgisch', zoals tegenwoordig voortdurend met de grootste minachting gezegd wordt over iedereen die iets wil behouden? Dan wordt gedaan alsof alles waar je aan gehecht bent een vorm van achterlijkheid vertegenwoordigt waar je zo snel mogelijk overheen zou moeten stappen. Wake up, this is 2006 roept men je toe, want dat je van deze tijd bent blijkt ook beter als je Engels spreekt.

Las laatst een meeslepende roman waarvan ik niet kon geloven dat het een debuut is, Boven is alles stil van Gerbrand Bakker. Het is het verhaal van een boer tegen wil en dank, bij wie het leven min of meer stil is blijven staan in 1967, al is het inmiddels 2004 of zoiets. Hij weet dat wel. Hij is ook niet tegen de moderne tijd. Maar er is iets niet op gang gekomen. Zijn vader is stervende, hij voelt soms pijnlijk duidelijk hoe het leven aan hem voorbij is gegaan, en intussen doet hij elke dag de dingen die hij moet doen: de koeien melken, de ezels eten geven, het erf bijhouden, de schapen verplaatsen, de stal uitmesten, het watermolentje aan- of juist uitzetten enz. Deze roman zou, als hij vertaald zou worden, zeker voor een buitengemeen Nederlands boek gehouden worden.

Het moderne leven komt er eigenlijk niet in voor, geen probleemwijken, geen terroristen, geen internet. Deze boer koopt gedurende de paar maanden van zijn leven die wij te zien krijgen, zijn eerste televisie. Het Nederlandse zit hem hier niet in de wereld zoals we die elke dag voor ons zien. Misschien ís het wel helemaal geen Nederlands boek, zou deze Waterlandse boer net zo goed een Toscaanse boer kunnen zijn. Maar dan zou je het niet zo herkennen. Wat? 'Het.'

Identiteit is een moeilijk ding. Bij Bakkers hoofdpersoon heeft die veel meer met zijn persoonlijke omstandigheden te maken, met zijn tweelingbroer die er niet meer is en met zijn ouderlijk huis, dan met kerken of moskeeën, André Hazes of het verdwijnen van staatsbedrijven.

Dat geldt natuurlijk voor bijna iedereen. Je identiteit, het gevoel op je plaats te zijn, heeft niet vooral te maken met iets abstracts als 'Nederlanderschap', maar met herkenning van de dagelijkse omgeving, met verbondenheid aan plaatsen en mensen en manieren van doen - die maken het Nederlanderschap uit. Bakkers boer zou net zo goed wél elke avond internet op kunnen en chatten met iemand uit Seattle of Brisbane - hoewel chatten niet echt bij zijn karakter hoort - en dan zou hij toch wezenlijk dezelfde zijn. Een heel Nederlandse man. Wat dat ook mag betekenen.

    • Marjoleine de Vos