Het verkopen was - ik durf het haast niet te zeggen - leuk

Ik haat Koninginnedag. Misschien is dat raar, misschien zijn er mensen die de combinatie van bierblikjes, oud vuil, kinderen die net viool hebben leren spelen en hard en langdurig op die viool spelen, enge oranje drankjes en housemuziek leuk vinden, maar ik niet. Ik haat het.

Daarom ontsnapte ik vorig jaar naar Antwerpen, en het jaar daarvoor naar een veldje buiten de stad. Maar dit jaar vroeg een vriendin mij om samen met haar oud vuil te gaan verkopen. Ik zei ja, onder het motto 'Als je dingen niet leuk vindt moet je ze helemaal niet doen of er juist helemaal in meegaan'. Dat is een lang motto, maar het werkt wel. Soms.

Het was alweer twintig jaar geleden dat ik voor het laatst oud vuil verkocht had, in de tijd dat ik bierblikjes en housemuziek nog kon verdragen. Toen was ik zelf zo'n kind dat langdurig viool speelde op Koninginnedag. Ik speelde zo lelijk dat mensen mij geld gaven uit medelijden. Ik vond dat niet erg, want mijn motto was in die tijd 'Geld is geld'. Ik was een heel praktisch kind.

Mijn vriendin en ik besloten om alleen boeken te verkopen, voor de eenheidsprijs van één euro. Sommige van de boeken waren duidelijk meer waard, en sommige minder. Bekenden die bij ons kleedje langskwamen, adviseerden ons dan ook steeds om de prijs te verhogen. Maar onze marketingfilosofie was dat als je een paar heel mooie boeken onder de prijs aanbood, de mensen ook voor de mindere boeken - restaurantgidsen uit 2003 - ineens een euro over hadden. Deze marketingfilosofie werkte.

Het verkopen was, ik durf het haast niet te zeggen, leuk. Wij hadden een leus: 'Gloednieuwe topboeken voor één euro'. Wij hadden een mascotte: de baby van mijn vriendin. Wij hadden sjans: van aardige gescheiden vaders die met hun kind op stap waren. En aan het eind van de dag hadden we, na een ritualistische geldtelling, 130 euro, dus 130 verkochte boeken, wat we zelf geen slechte score vonden.

Mijn vriendin stelde voor om een deel van de winst te besteden aan enge oranje drankjes, maar zo ver wilde ik niet gaan. Wel gooide ik uit medelijden wat muntjes in de kist van een jongetje dat viool speelde. Het was al bijna avond, het jongetje had er duidelijk geen zin meer in, maar hij knikte me minzaam toe, ramde er nog een etude uit en dacht waarschijnlijk 'Geld is geld'.

    • Aaf Brandt Corstius